CADZAND IN OORLOGSTIJD (1940-1944)
door Leendert Fremouw

In Cadzand hebben tijdens de oorlog ’40-‘45 heel veel Duitse soldaten gebivakkeerd. Dat kwam, omdat Cadzand aan de kust lag en de Duitsers bang waren voor een invasie, die ook gekomen is, maar in Frankrijk.

Hitler gaf in 1942 bevel aan veldmaarschalk Rommel om de hele kust te versterken met bunkers, de zogenaamde Atlantikwall, en de stranden en landerijen vol te zetten met allerlei soorten versperring de z.g. Rommelasperges.
Toen was Cadzand niet alleen vol met soldaten, maar ook met arbeiders die moesten werken aan de kustverdediging. Zo was op een zekere tijd de lagere school gevorderd en lag vol met arbeiders uit het oostelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen. Ook kwam iedere dag nog een tram uit het oostelijke deel arbeiders brengen, de Todt-tram, genoemd naar de Duitse bouwkundige Ir. Fritz Todt, die verantwoordelijk was voor de bouw van de kustverdediging. Die arbeiders kregen eten vanuit hotel De Schelde, later (op Dolle Dinsdag 5 sept. 1944) in brand gestoken (foto links), dat gevorderd was door de Duitsers en dienst deed als onderkomen voor de weermacht. De keuken werd ook gebruikt als centrale keuken voor de arbeiders. In de keuken werkten verplicht of vrijwillig vrouwen.

Veel Belgische arbeiders kwamen iedere dag naar de kust om er te werken aan de bunkerbouw, loopgraven en dergelijk oorlogswerk. Ook de eigen bevolking moest zijn steentje bijdragen. Die moesten met laag water bomen met de brandweer in het strand spuiten (foto rechts). Op de akkers werden door burgers, bewaakt door soldaten, sparren geplant en met draden verbonden om de zweefvliegtuigen tegen te houden bij een eventuele geallieerde invasie. De boeren moesten paarden en knechten leveren om de bouwmaterialen zoals zand, grint en cement in de duinen te brengen en om de bomen, die met de tram tot de kust aangevoerd werden, op het strand te slepen.

Eerst was er een plan om de gehele bevolking, zeker ouderen en kinderen, verplicht te evacueren, maar dat is niet doorgegaan. De bevolking moest wel een steentje (een grote steen) bijdragen aan de verdedigingswerken. Alleen de kustbewoners moesten verhuizen naar het dorp. Men heeft altijd beweerd dat de toenmalige burgemeester Kees le Nobel er voor gezorgd heeft, misschien wel aan de borreltafel, dat de bevolking niet weg hoefde. Het alternatief was dat we dan wel moesten werken voor de weermacht. Je moet eens denken, in een kilometers brede strook hier langs de kust was haast iedere boerderij omgebouwd tot militaire vesting, waar overdag en soms ‘s nachts aan gewerkt werd. Ik zelf heb aan al die werken ook mee moeten doen.

Mijn taak was onder andere iedere middag van hotel De Schelde een grote ketel soep halen en naar een leeg huis brengen; dat stond ongeveer op de plaats waar nu hotel Zeebad staat. Vroeger heeft de fam. Meeuwsen er nog in gewoond. Daarna was het een paar maanden noodcafé van Piet de Lijser en Marie Eversdijk. Dat was toen in gebruik als schaftlokaal voor de arbeiders.

Ook moest ik verschillende keren voor de weermacht met paarden en bandenwagen (een wagen met luchtbanden) ‘s avonds naar Sluis voor de bevoorrading. Dan ging er een soldaat mee met geweer en moest ik in Sluis op het abattoir vlees halen. Dat abattoir was een eind tussen Sluis-centrum en de rotonde naar Heille en was van de fam. Smorenburg. Ik moest dan ook altijd brood, fruit en groente meenemen, dat werd op het tramstation gehaald achter de wallen waar nu een parking is.
Op een bandenwagen was een bankje om te zitten en dat kon je opklappen en dan had je een ruimte voor wat gereed-schap. Als we dan over de Stellendijk kwamen richting het haventje, kon het gebeuren dat de lucht vol vliegtuigen was op weg naar Duitsland. Als het heldere maan was gebeurde het wel eens dat ik onder de bomen moest gaan staan, zo bang als die Duitser was dat die begeleidende nachtjagers ons zouden zien. Hij sprong dan van die wagen af en kroop onder de bomen. Als er dan iets kort bij mij stond dat ik gemakkelijk in dat kastje onder mijn kont kon stoppen deed ik dat, b.v. een krap druiven. Ik moest dat brengen in hotel Noordzee boven op de duinen, dat was niet afgebroken en daar hadden de Duitsers zelfs nog een toren aan gebouwd (foto).

Op een zekere avond moest ik met mijn bandenwagen naar de tramwissel in Cadzand-dorp, waar nu de winkel van Petra is (P and T chocolate and presents) en er werden een soort nieuwe wapens, raketten van het type s.W.G.40, op mijn wagen geladen. Er werd nog stro rond gedaan voor het schokken. Onder bewaking van verschillende soldaten moest ik die vervoeren naar de boerderij van Jozias Basting in de Lange Strink.
Daar werden die ingegraven en zo nodig elektrisch ontstoken. Ze werden met krat ingegraven in de richting waar ze eventueel naar toe moesten; dat was het Zwin. Daar moesten ze terechtkomen bij een eventuele invasie. In de Zwinmonding konden ze geen mijnenvelden leggen in verband dat het steeds verandert, of ze zouden bloot spoelen of diep komen te liggen.
Later is het onweer er eens ingeslagen en is er een stel ontploft en op het strand terecht gekomen. Van slachtoffers is niks bekend.

Die raketten waren ook op de boerderij van Brakman in Nieuwvliet (foto links) en langs de Lodijk buiten Zuidzande ingegraven. Ze zijn hier in Zeeuws-Vlaanderen, zover ik weet, niet gebruikt. Ik heb die dingen later beter leren kennen toen ik als soldaat drie jaar bij de explosieven-opruiming was (foto rechts).
In het leslokaal in de kazerne van de E.O.D. (Explosieven Opruimingsdienst Defensie) in Culemburg liggen ze ook, heb ik nu gezien.

FIFIE (1941)
Toen ik in 1941 het tweede jaar naar de ambachtsschool ging was de school haast helemaal gevorderd door de Duitse weermacht. Alleen de praktijklokalen zoals de smederij, bankwerkerij, schilderszaal, het timmerlokaal en de directeurskamer waren nog vrij. Voor tekenen en andere bijvoorbeeld theorievakken moesten we elders in Oostburg zijn.
Tekenen deden we in het gebouw van de Velo wasmachines dat stond in de Zuidzandsestraat waar nu de Oud Gereformeerde kerk staat, en theorie kregen we in een noodbarak in de Brouwerijstraat en op nog een paar adressen. Ook concierge De Ridder had nog een kamer.

Zo kon het gebeuren dat je met verwisseling der lessen een andere groep tegen kwam, allen te voet. Dus je kunt begrijpen dat de directeur doodsangsten uitstond dat hij de praktijklokalen ook zou moeten afstaan. Dat zou het einde betekenen van de school. Dat zei hij ook dikwijls tegen ons en vroeg ons dan om de Duitsers zo weinig mogelijk te ergeren want er waren er op een gegeven moment misschien wel tweehonderd soldaten in en om de school gelegerd. Met hun voertuigen en wapentuig was het een hele drukte.

In mijn klas zat een jongen, een zekere Fieret uit Breskens; die werd altijd Fifie genoemd. Zijn ouders waren N.S.B.-ers, maar voor ons als schoolkameraad was het geen verkeerde jongen. Daar het hoofdkwartier in Oostburg was (de H.B.S. aan de Breedestraat) kwam er in Oostburg dikwijls hoog bezoek van de Duitse weermacht.
Op een zekere dag kwam ook zo'n hoge piet naar de ambachtsschool. Voor het schoolgebouw stonden honderden soldaten streng in het gelid met het geweer aan de schouder. Het was tussen schooltijd dus wij stonden met onze rug tegen de muur van de school de zaak af te kijken.
Toen de, ik denk een generaal, klaar was met inspectie trad die naar achter en de comman-dant ging voor de troep staan en riep: “DAS GEWEEHRRRRR!” En toen gebeurde het. Uit het jongenskeeltje van Fifie klonk hard “Ab!”, direct gevolgd door het veel hardere “AB!” van de Duitser. Ik dacht dat die Duitser ontplofte. Gelukkig ging de schoolbel dus wij naar binnen.

Later bleek dat de directeur natuurlijk geweldig heeft moeten praten om de school open te houden. Hij heeft ons allemaal, Fifie in het bijzonder, nog eens flink gewaarschuwd. De directeur was Jan Kok, iedereen noemde hem Jan Boord, omdat hij altijd van die hoge stijve boorden droeg. Wij snotneuzen vonden toen dat hij nog al ouderwets en streng was. Later heb ik beseft dat hij een goed, eerlijk en rechtschapen mens was, die het allerbeste voor zijn leerlingen wenste.

DE BEZETTING (1940-1944)
In Zeeuws-Vlaanderen moesten we vier en een half jaar onder de bezetting leven. Dat heeft gebrek aan onze vrijheid, dus veel angst en veel ergernis gegeven.
In het begin ging het nog. We mochten ons nog overal betrekkelijk vrij bewegen, maar langzamerhand kwam je meer en meer een Duitse schildwacht tegen. Hier mocht je niet meer komen en daar was een mijnenveld of spergebied, en overal langs de wegen marcheerden soldaten en zongen dan een lied. Ze zongen in het gelid, natuurlijk op bevel, ‘Erica’, ‘Edelweis’ of ‘Und wir fahren gegen Engeland’. Op hun leren ‘Stiefel’ en op hun gespen van hun koppels stond ‘Für Volk und Vaterland’.

We begonnen op den duur toch steeds meer van hun dwingelandij te merken. Veel jonge kerels moesten verplicht naar Duitsland om daar voor hun te werken. Het tweede jaar moesten de mensen aan de kust hun huis en ook de hotels verlaten. Ze werden afgebroken als ze het nodig vonden, of ze kwamen vol soldaten. Wij inwoners moesten soms dag en nacht voor de weermacht werken, eenmansputten graven of bomen inspuiten op het strand om hun stellingen te versterken. De boeren moesten met hun paarden bouwmaterialen het duin in sjouwen. Daar moesten honderden, ook veel Belgische arbeiders, bunkers mee gaan bouwen.

We hoorden af en toe hoe er verder in Holland werd geleden, dat in vele huizen de Duitse Gestapo, of nog erger soms landverraders, een inval deden. Meestal werden dan mensen uit hun huizen weggevoerd, gearresteerd, en dikwijls niet veel later op een bepaalde plaats door een vuurpeloton gefusilleerd. Vooral de joden werden overal opgepakt en naar een concentratiekamp getransporteerd; alleen al uit Holland zijn er ongeveer honderdduizend vergast en gecremeerd. In Zeeuws-Vlaanderen hadden we van de soldaten, die hier lagen in die jaren, over het algemeen, als je ze niet irriteerde en niet kwaad maakte, niet zoveel te klagen. Je moest natuurlijk wel op spertijd, dus op de avondklok, letten en niet op verboden terrein komen, en natuurlijk niet de radio, wanneer ze het konden horen, op de Engelse zender zetten.
Op 5 sept. 1944 heeft wel een verdwaasde Duitser bij de familie Mabelis aan de Knokkertdijk, omdat hij bij de dochter wou slapen en de vader daardoor zeer verstoord was, de vader en de zoon mee naar buiten genomen. Later vonden ze hun lijk. Hij had ze beiden een eindje in het land met een pistoolschot in de nek vermoord.

In september 1944 is de strijd om deze streek rond de Schelde toen goed begonnen. Wekenlang werd er door vliegtuigen geschoten en gebombardeerd en bulderden de kanonnen. Veel soldaten (Duitsers en Canadezen) hebben hier hun leven moeten geven. Zo hebben wij 7 weken in de kelder moeten vertoeven, met heel veel slachtoffers onder de bevolking hier in West Zeeuws-Vlaanderen.
Na wekenlang ellende kwamen eindelijk hier als bevrijders de Canadezen, maar dit is weer een verhaal apart. Dat kun je in een ander verhaal wel lezen.

DE TRAM (1940-1945)
Voor de oorlog en ook nog een paar jaar na de oorlog reed in Zeeuws-Vlaanderen een stoomtram. In het oostelijk deel reden de laatste jaren ook al motortrams. In Cadzand kwamen vier lijnen uit, dus was het hier altijd tamelijk druk. Vanuit Cadzand reed de tram naar Breskens, Oostburg, Sluis en naar de kust tot het haventje van Cadzand. In Cadzand stond ook het watertorentje om de locomotieven van water te voorzien en die gebruikten heel wat water voor hun stoom. Het water werd regelmatig vanuit een diepe put boven in dat torentje gepompt.

De tram reed meestal de kortste weg, dat wil zeggen dat de rails soms langs de weg lagen, maar soms ook omhoog en door de polder liepen. Als je in de polder woonde en je moest met de tram mee, dan liep je naar de rails, stak je hand op en de tram stopte. Dat waren die machinisten natuurlijk niet verplicht. Ook waren er verschillende huizen langs de rails, waar je een kop koffie of een borrel kon kopen, met een bord op de muur 'Hier waarschuwt men voor de tram'. Men stak dan, terwijl je binnen zat bij de kachel en soms aan de borrel, een rode vlag aan de muur. Dan wist de machinist dat hij moest stoppen.
Wanneer je tegen wind in op de fiets reed en de tram reed je voorbij en de stoker stookte net zijn vuur op, dan kreeg je al die zwarte rook en stoom met kolengruis in je ogen. Dat kon veel pijn doen, vooral als kind.

Tijdens de oorlog is de tram verschillende malen beschoten. De tramrails zijn eigenlijk aangelegd om de vele bieten naar de fabrieken in Sas van Gent te brengen en daarnaast is hij dan natuurlijk ook voor andere goederen en passagiers gebruikt. Voor die suikerbieten was overal langs de lijn een speciale opslagruimte aangelegd met dubbele sporen en wissels (bietenwissels). Zo een wissel was er ook langs de rails naar Sluis op de plaats waar nu de schuur van Schrier staat en de winkel van Petra Schrier (P&T chocolate and presents). Daar brachten de boeren hun bieten naar toe en ook kwam daar wel eens een wagon kolen voor de plaatselijke kolenboer.
Op zo'n bietenwissel was ook altijd een weegbrug waar de bieten werden gewogen en ook alle andere zaken die gewogen moesten worden. Bijvoorbeeld ook dieren die verhandeld werden, koeien varkens enz.

Na de bevrijding hier, in het najaar en de winter 1944 stonden er Engelse zoeklichten op de wissel, en was de weegbrug keuken. De manschappen lagen bij Sam Masclee in café In De Buitenlust. Er werd toch gewoon café in gehouden. Er werd zelfs haast iedere week in gedanst. Dan schoven de soldaten hun bedden opzij, werd er een tafel gezet en daar zat slager Piet de le Lijs bovenop met zijn trekharmonica en dan maar dansen. Wanneer er geen bier meer was reed men er om naar België. Dat even er tussendoor omdat door die weegbrug dit alles weer boven kwam. Ik geloof dat Daan Adriaansen de laatste vaste weger was. Later heeft Piet de Meij dat alles overgenomen en konden die grote auto’s er ook niet meer op. Cadzand had ook aan Potjes een bietenwissel. Daar was vroeger ook het café van Legner en een weegbrug. Aan de kust, bij de kaai, was ook nog een weegbrug voor de handel vroeger met de schepen.

Aan de andere kant van de weg, waar nu de weg naar de kust ligt (Ringdijk Noord), was het eigenlijke station met wachtruimte. Langs de sloot, die nu tussen de weg en de weide ligt, lag een straatje (perron). Op het terrein stond ook het watertorentje. De weg lag toen over de ringdijk. In de oorlog stonden er dikwijls soldaten op de tram te wachten, gepakt en gezakt, wanneer ze overgeplaatst werden, of zonder bepakking als ze met verlof gingen. Ook was er altijd controle op de papieren, die je altijd bij je moest hebben.
Dikwijls stonden er mannen van de C.C.D. (Crisis Controle Dienst, een Nederlandse overheidsdienst sinds 1934) om te kijken wat je vervoerde in je tas in verband met zwarte handel. Piet Robijn had stiekem een varken geslacht en bracht iets van dat vlees met de tram naar zijn dochter in Sluis. Hij kon de tram zonder controle in. Had hij nu niks gezegd, maar toen de tram begon te rijden zei hij: “Ziezo het gevaar is geweken.” De vent naast hem zei: “Doe je tas eens open.”, en hij werd alsnog gepakt.

In de oorlog is de tram ook veel gebruikt om materialen voor de kustverdediging te vervoeren, grint, zand, bunkerstenen, prikkeldraad, cement, boomstammen uit de Ardennen en ook wel munitie. ‘s Nachts reden er dikwijs lange goederentrams met militaire goederen naar de kust. Dat gebeurde natuurlijk in het duister.
Op een keer is een rangeerder, die op de eerste wagon stond, door een laaghangende telefoonkabel van de Duitse weermacht in het donker van de wagon getrokken en voor de wielen van de tram gekomen. De tram duwde in dit geval een hele rij wagons van Cadzand naar de kust. In de bocht, waar nu de minigolf is (thans Duinhof-Zuid), is het gebeurd. De stokerrangeerder was een zekere Schouten.

In de oorlog, toen er steeds minder fietsbanden te koop waren en veel fietsen door de Duitse weermacht afgepakt werden, waren veel mensen op de tram aangewezen, vooral scholieren en mensen die naar hun werk of school moesten. En die waren de meesten in Oostburg. En natuurlijk familiebezoek. Ik heb zelf, toen ik naar de ambachtsschool ging van ‘40 tot ’42, ook veel gebruik gemaakt van de tram. Iedere morgen vroeg vertrok er een passagierstram uit Draaibrug (daar was de remise) over Sluis, Retranchement, Cadzand, Nieuwvliet, via Groede naar Breskens en via Schoondijke naar Oostburg. Die was speciaal voor de scholieren, van ambachtsschool, HBS, huishoudschool en naaischool. In Breskens kwamen de jongens en meisjes van Biervliet en Hoofdplaat er bij, die waren met een andere tram gekomen.
Kort na de oorlog zijn er bussen gekomen, zijn de rails opgebroken en is de hele zaak aan het buitenland verkocht.

DE POPULIEREN (1943)
Tijdens de oorlog ‘40-‘45 waren er in Cadzand heel veel Duitse soldaten gelegerd. Het gehele duin was een doolhof van bunkers, loopgraven en geschutstellingen. Ook de meeste boerderijen waren veranderd in een soort forten om ze bij een aanval te verdedigen.

Honderden arbeiders moesten die verdedigingswerken helpen maken, waaronder veel Belgen. Velen kwamen met de fiets, ook kwam iedere dag een speciale tram van het oostelijke deel naar hier vol met arbeiders, ook was de school gevorderd en die was vol met arbeiders. Er werd toen met al die Belgen natuurlijk ook flink gesmokkeld. Die brachten dan onder andere tabak mee en ruilden dat hier voor graan en andere levensmiddelen.
Hotel de Schelde (in 1944 in brand gestoken) was gevorderd en die keuken werd gebruikt om de arbeiders van eten te voorzien.

De tram reed toen tot het haventje, de plaats waar nu het hotel De Wielingen staat. Het terrein langs de tramrails vanaf het huidige benzinestation tot aan de sluis lag vol met zand, grint, cement, prikkeldraad en alle zaken die voor de militaire duinversterking nodig waren. Ook werden er met de tram veel bomen aangevoerd uit de Ardennen. Die werden door de boerenknechten met hun paarden naar het strand gesleept om daar met behulp van gevorderde brandspuiten in het zand gespoten te worden als verdediging tegen de eventuele landingsvloot.
Wij inwoners moesten, door de burgemeester aangezegd, allerlei werk doen voor de Duitsers. Dat hield in, schuttersputjes graven langs de polderwegen, sparren planten in het land tegen de zweefvliegtuigen en bomen spuiten op het strand. Dat laatste kon alleen bij laag water, dus dat moest ook wel eens bij nacht gebeuren. Zo moest ik wel eens ‘s nachts naar Nieuwvliet.

Op een dag stagneerde de aanvoer van de bomen, ik weet niet om wat voor reden, maar op zekere dag kreeg een groep mannen opdracht om onder leiding en toezicht van een Duitse soldaat het achterland in te fietsen en alle bruikbare bomen om te zagen. Iedere morgen moesten wij verzamelen aan de molen en op de Duits soldaat wachten. Nu hadden we geluk, want het was een hele jonge dienstplichtige Oostenrijker, een hele aardige jongen. Hij was misschien 20 jaar. Piet van de Voorde, dat was toen al een wat ouder iemand, was bomenrooier van beroep, dus die had de leiding. Zo reden we elke dag door de polder overal achter Oostburg en Sint Kruis samen met Frits de soldaat met zijn geweer op zijn rug voor onze militaire begeleiding en bewaking.

Piet van de Voorde en de andere ouderen kenden veel boeren, dus als Frits een mooie boom zag en hij wilde die omgezaagd hebben en toevallig wist één van ons dat het een goede boer was voor zijn arbeiders, of men wist dat hij je wel eens hielp aan een pondje boter, dan zei Piet van de Voorde: “Frits, die staat moeilijk hoor zo kort bij het huis.”, of “kort bij de sloot”, of een ander smoesje. Dat lukte niet altijd, maar de meeste keren toch wel.

Ik heb ook nog geweten dat een boer dreigde de Orts-Commandant te waarschuwen, maar telefoons waren er nog niet veel. Ik heb nog vergeten te vermelden dat er altijd een boerenwagen van De Putter meereed om ‘s avonds de bomen mee te nemen.
Op zekere dag reden we langs de Schanse in Oostburg en zo verder langs de boerderij van de familie Jansen naast het huidige tuincentrum. De familie Jansen had toen een grote kersenboomgaard met er voor een groot windscherm van prachtige populieren. De bomen stonden kaarsrecht en maar een meter van elkaar met van onder gaas gespannen voor de schapen. Wij zagen dat wel en wilden doorrijden, maar Frits riep dat die bomen om moesten. Wij hebben tevergeefs gezegd dat het jammer was van het windschut. Enfin, Piet Jansen, de zoon die nog thuis bij zijn moeder woonde, kwam naar buiten en zei tegen ons: “Probeer dan of hij akkoord gaat met om en om er één te sparen, want ze staan eigenlijk toch te kort bij elkaar. Als je ze dan boven het gaas afzaagt, valt de schade nog mee, dan is de zaak opgelost. Als het jullie lukt, maak ik een foto van jullie.” Hij had nog filmrolletjes en was verwoed amateurfotograaf. Na de oorlog heeft hij het nog voor zijn beroep gedaan. Frits ging akkoord en zo is de foto ontstaan.
Als ik nu met avondvierdaagse daar voorbij kom en ik zie dan de ondertussen reuzenbomen, denk ik hier aan terug.

Op de foto staat onze ploeg.
Van links naar rechts achter: Piet van de Voorde, Willem de Maillie, Marien Lekens en Geert Pleite.
Midden: Frans Minderhout, Jan Fremouw, Frits de soldaat en Jas Buize. Voor: Leendert Fremouw (ik met hoed)en Izak de Lijzer.

JAN ZAK (1944)
Voor de oorlog was er in Knokke een klein vliegveld. De vlakte voor het restaurant van het vogelpark was toen vliegveld. Het restaurant was toen het zomerpaleis van de koning. Als schooljongens gingen we daar geregeld naar toe, vooral als het vliegfeest was. We kochten dan bij ‘t Seven (een winkeltje aan de Oosthoek) met z’n allen een pakje Belga sigaretten en dan lagen we aan de dijk onze eerste sigaretten te roken terwijl we naar de vliegtuigen keken.

In Mei 1940 is het vliegveld gebombardeerd (foto rechts) en dat was voor ons het sein van het begin van de oorlog. De bommenwerper kwam laag over Cadzand. Tijdens de oorlog was het een Duits militair vliegveld. Daar was ook een vliegtuig gestationeerd dat altijd met een grote holle lange koker van kippengaas, bekleed met rode stof er achter vloog. Daar moesten de soldaten van de Duitse weermacht met hun luchtdoelgeschut op schieten. Van Oostende tot aan Breskens werd er door het Duitse luchtdoelgeschut op die zak geschoten om te oefenen. Door de kleur van wolkjes konden de manschappen zien welke batterij er raak schoot. Je zag de stukken er soms af vliegen.
Ook werd de kabel wel eens geraakt, dan lag die zak wel ergens in het land. Iedereen noemde het vliegtuig Jan Zak.

Die oefeningen waren hard nodig, want toen in 1943 de grote bombardementen op Duitsland begonnen, kwamen hier ‘s nachts honderden viermotorige bommenwerpers over. Dat duurde soms uren. Je lag dan te schudden in je bed. Nu is het bekend dat het soms 800 à 1000 vliegtuigen waren. Dikwijls lagen er dan ‘s morgens overal strookjes zilverpapier die bij massa waren uitgegooid om de radar te storen. Vooral wanneer het Ruhrgebied gebombardeerd werd, en dat gebeurde veel, kwamen hier veel vliegtuigen over, want die grote vliegvelden waren veel in Zuid-Engeland dus de lijn Zuid-Engeland - Ruhrgebied liep over Zeeuws-Vlaanderen. Wanneer de laatste voorbij waren, kwamen kort daarop de eerste alweer terug.


Die grote vliegtuigen hadden, om lang in de lucht te kunnen blijven, extra brandstoftanks onder hun vleugels hangen. Die werden eerst opgebruikt en dan afgeworpen. Die tanks vonden wij soms op het land. Omdat Ko de Wolf zijn vader smid was, brachten wij zo’n tank dan naar de smederij. Anton Brevet was daar inwonend knecht en hielp ons om er een handige eenpersoons kano van te maken. Dat was betrekkelijk eenvoudig. Die tanks waren 300 tot 350 cm lang met een prachtige stroomlijn. Van boven ging er een reep af en een kiel er onder, klaar was Kees. In de put bij Kools aan de Koolsweg werd hij geprobeerd. Werd hij goed bevonden dan gingen we naar de Badhuisweg om er in de grote tankgracht mee te varen. Die tankgracht hadden de Duitsers laten graven van achter de Elzenhof van De Bruijne met een bocht door het land waar nu De Stelle is en over de weg tussen de huizen met een bocht tot achter de Berghofstede waar nu Joop Basting woont.


MAX HET KANON (1943-1944)

Tijdens de oorlog werden in Cadzand in de duinen door de Kriegsmarine drie kanonnen in bunkers geplaatst en één op het duin. Die kanonnen waren van het kaliber 15 centimeter. Toen de geallieerden in 1944 in Frankrijk landden en zo naar het noorden trokken, hebben de Duitsers een kanon uit de bunker gehaald om het op het land te richten. Dat hebben de Duitse soldaten zelf moeten doen na de invasie. Het was een duivels karwei. Ze hadden natuurlijk nooit verwacht dat het geschut nog eens als landgeschut moest dienen. Met één van de drie hebben ze het geklaard met de andere twee hebben ze later nog naar Walcheren geschoten.

Toen de Canadezen achter het Leopoldkanaal tot staan gebracht werden, begon van hier de beschieting naar de Isabellesluis, Stroobrugge en Moerkerke, waar de Canadezen nog even een bruggenhoofd hadden, maar later weer moesten prijsgeven. Wanneer vanaf de kust Max (zo werd hij door ons genoemd) aan het schieten was naar het Leopoldkanaal, wisten we dat als hij stopt met schieten ze van de andere kant terugschieten.
Ik woonde toen in het dorp, want aan de kust mocht toen niemand wonen. Maar ik woonde sowieso al in het dorp, want ik ben daar geboren. Wij zaten toen al veel in schuilkelders als de Typhoons of de Hurricanes over kwamen met hun raketbommen, of wanneer er luchtgevechten bezig waren boven ons hoofd.

Ons gezin en nog vijftien anderen, zaten in een weiland in een bunkertje van de Duitsers dat eens door hen gebouwd was, maar nooit gebruikt werd. ‘s Nachts werd daar altijd in vertoefd. Gewerkt werd er praktisch niet meer. Dat bunkertje stond in het bokkenweitje, een weide waar nu de Willem-Alexanderstraat is. Maar als de granaten over kwamen als antwoord op het schieten van Max, stonden wij in het Smitsewegje (nu Koolsweg) te kijken naar de inslagen in de duinen. Ik weet nog goed dat toen op het land van Kools twee hopen met tarwe stonden. Daar kon je zo goed naast staan; je voelde je veiliger en kon goed naar de duinen kijken. Er kwam dan een klein vliegtuigje (een verkenner) dat schijnbaar de posities doorgaf. Van die granaten hadden wij in het dorp geen last, je hoorde ze overvliegen.
Later, toen de Canadezen doorgebroken waren over het Leopoldkanaal en de Braakman, werd het anders. Toen begonnen de granaten overal te vallen en werden kruispunten, wegen en vooral Duitse voertuigen onder vuur genomen.

DE GRANAAT (1944)
Hetgeen ik nu schrijf is gebeurd begin September 1944. De Duitsers die in Cadzand in grote getale aanwezig waren om hier hun stellingen te verdedigen, waren in paniek geraakt door de opmars der geallieerden. Dus begonnen die in september weg te trekken om, nog voor Antwerpen viel, weg te zijn uit deze hoek. Veel boeren moesten paarden en wagens plus knecht afstaan om de Duitsers te helpen terugtrekken. (foto: vlucht uit Oostburg)

Zo moesten mijn beide neven Jan en Bram Fremouw ook mee. Later bleek dat die achter Gent (Lochristi) met de paarden achter het front geraakt zijn en samen met de Canadezen later gelukkig behouden thuis gekomen zijn. Maar omdat die neven bij mijn grootvader en grootmoeder opgevoed waren, en daar nog woonden, bleven die toch al wat oudere mensen alleen en dat was niet leuk.

Het werd een gespannen tijd en iedereen voelde dat er iets in de lucht hing. De Duitse soldaten werden supernerveus. Er begonnen veel Engelse en Amerikaanse vliegtuigen over te vliegen en die gooiden raketbommen op de bunkers van de Duitsers. Later bleek dat Hitler bevel had gegeven om de Scheldemonding tegen elke prijs te verdedigen, dus de Duitsers begonnen zich overal in te graven. Mijn vader vond het maar niks dat zijn ouders daar alleen aan de Molendijk zaten, en zei tegen mij: “Ik zou willen hebben dat jij bij grootvader en grootmoeder gaat slapen zolang de jongens weg zijn.” Dus ik naar de Molendijk (foto).
Grootvader had ook met mij samen nog een soort schuilkelder in de tuin gemaakt; dat was toen een put in de tuin, een paar balken en wat musters (bundels rijshout), pakken stro en grond er over en binnenin een vloermat. Dat had bijna iedereen in zijn tuin gemaakt, totaal nog geen weet hebbende wat ons te wachten stond. Het gebeurde dikwijls, wanneer er heel veel geschoten werd bijvoorbeeld bij een luchtgevecht, dat je in die kelder moest vluchten.
Er naast woonde de oude Michiel Dierings met zijn vrouw en ziekelijke dochter, die maakten ook gebruik van die schuilkelder wanneer er overdag geschoten werd of wanneer er een luchtgevecht boven ons plaats had.
Nu woonden mijn grootouders langs de tramrails aan het knooppunt van tramwegen. En er werden heel veel militaire spullen met de tram vervoerd. Ook munitie werd daar verladen. Eigenlijk was dat voor toen een druk punt. Er kwamen daar vier lijnen bij elkaar: Oostburg, Sluis, Breskens en de haven.

Het was weer eens een rommelige dag geweest. We hadden verschillende keren in de schuilkelder moeten vluchten, maar waren, toen het stil bleef, toch weer in huis gegaan. We zaten met ons drieën wat na te praten. Buiten was het angstig stil. Er waren de gehele dag vliegtuigen overgevlogen en ook was er nog een luchtgevecht geweest. Nu was het stil, onnatuurlijk stil, je voelde de spanning. De Duitsers waren al heel de dag nerveus, je merkte dat er wat ging gebeuren. Maar omdat er niets voorviel en het laat werd zei grootvader: “Ik kruip in mijn bed.” Hij kleedde zich uit en kroop in de bedstee en praatte vanuit zijn bed met ons. Hij lag in de bedstee, natuurlijk met de deuren open, en ik ging op zijn plaats zitten in zijn stoel, zo een ouderwetse krikstoel. Die stoel stond voor een hoekraam met blinden er voor, wat toen gebruikelijk was. Mijn grootmoeder zat naast de bedstee voor de spinde (kast tussen de twee bedsteden in) in een rieten leunstoel. We hadden nog even gepraat, ook grootvader vanuit de bedstee, toen grootmoeder tegen mij zei: “Zouden we ook niet in bed gaan.” Ik kom overeind en tegelijk staat grootmoeder recht, en dan een klap, verschrikkelijk. We roken kruitdamp en toen zagen we dat we op een paar seconden aan de dood ontsnapt waren. Er was namelijk een granaatscherf door de blinde van het raam gegaan, door de leuning van mijn stoel, door de leuning van grootmoeders stoel, door de spindedeur. In de kast stond een grote pot en daar lag de scherf tussen de scherven van de pot.
Toen brak de hel echt los. We zijn allen in de bedstee gekropen en hebben angstig gewacht op wat er nog meer zou gebeuren. Er vielen nog meer granaten, die waren natuurlijk op de tramrails gericht. Kort daarop hoorden we geschreeuw en ander lawaai en toen bleek dat er bij Piet van Akker een granaat in het huis terecht was gekomen en dat Jaap Verburg, die daar tijdelijk woonde, dodelijk gewond was (8 sept. 1944) en Bram van Akker zwaar gewond, die is later ook overleden (22 nov. 1944). Dat was het begin van de beschieting.
Toen is hier dan ook de ellende begonnen en hebben we nog weken in de schuilkelder gewoond. Grootvader en grootmoeder zijn toen onder de molen gevlucht en zijn daar met vele anderen de gehele duur van de beschieting gebleven (enkele weken).

Eind oktober kwamen de Canadezen ons bevrijden. Ondertussen was het huis van mijn grootouders ook helemaal kapot geschoten. Toen mijn grootouders in de molen zaten en daar verzorgd werden, ben ik weer teruggegaan naar huis. Ik heb trouwens ook nog onder de molen van Aalbregtse gezeten. Wij zijn een paar keer moeten veranderen van schuilplaats. Maar dat is weer een ander verhaal.

HET BUNKERTJE (1944)
Toen in oktober 1944 de beschieting begon zijn ons gezin, vader, moeder, drie jongens en een meisje in een bunkertje gaan schuilen dat achter ons in de wei stond. De Duitsers hebben dat daar laten bouwen, maar nooit gebruikt. Bij ons zat ook de familie Tijs van Dale met zoon Tijs met zijn vrouw en, toen nog maar, twee kinderen Jenny en Piet. Ook Wannis Faas met zijn vrouw en twee dochters Jo en Saar zaten bij ons en ook nog de familie Ko Misilje met vrouw en twee grote ongetrouwde zoons Izak, Ko en dochter Betsie. De andere zoon Bram was in Nieuwvliet bij zijn aanstaande vrouw om te schuilen. De Misiljes zijn naast ons komen wonen toen ze hun huis, zoals alle anderen, aan het haventje van de Duitsers moesten verlaten. Meer namen schieten mij er op het ogenblik niet te binnen.

Voor de ingang van het bunkertje waren pakken geperst stro in een bocht gezet, zodat er geen scherven in konden vliegen. Het bunkertje was maar vijftig meter van onze tuin vandaan. Op het eind van de tuin had mijn vader een haard gemaakt in de openlucht, waar moeder voor allemaal eten kookte. Er naast hadden we een schuilkelder gemaakt, zodat moeder er in kon duiken, wanneer ze aan het koken was en er ineens geschoten werd of er kwamen ineens vliegtuigen laag over. Het was een schuilgelegenheid waar je overdag, wanneer je in de buurt was, in kon duiken. Zo hebben we enkele weken gezeten, niet beseffend dat bij een werkelijke aanval dat soort bunkertjes met vlammenwerpers uitgestookt werden en we zo eigenlijk veel risico liepen. Zo ver is het gelukkig niet gekomen, want op den duur kwam de waterstand zo hoog door aanhoudende regen dat het niet verantwoord was om daar te blijven. Dus wij moesten allen een ander onderkomen zoeken. Dat was niet zo eenvoudig.

Wij waren met zijn zessen, en om een kelder te vinden waarin nog zes plaatsen over waren, was niet eenvoudig. Het gevolg was dat alleen mijn vader en moeder en ons jonge zusje bij Izak de Bruijne in de kelder er bij konden. Dat was een huis in de Prinsenstraat (het staat er nog). Mijn broer Ko kon er in de molen aan de Molendijk nog bij, waar ook onze grootvader en grootmoeder zaten. Jan kon in het huis op de hoek van de Prinsenstraat recht tegenover de winkel van Bram Basting (nu restaurant). Daar was een grote kelder onder en daar zaten onder anderen onze oom en tante Liesbeth Fremouw met hun dochter Marie. Ik kon nog geplaatst worden bij onze oom Wannes Kraajmes en tante Jane Fremouw en de smid Piet de Wolf met hun zoon Ko die onder de vloer van de molen in de Badhuisweg zaten, samen met Bram Aalbrechtse met vrouw Vina van Peenen en dochter Cathlien en zoon Willem en nog een oom Hein en tante Marie Aalbrechtse. Ko van Dale met zijn vrouw en twee jongens en Bram van de Luister met vrouw en zijn kinderen Jo en Reinier. Piet, de andere zoon, was toen in Duitsland te werk gesteld. Verder vallen mij geen namen in.

Op de molen stond nog een windwijzer die leek op een stoel. Daar stond een machinegeweer voor. Wij waren doodsbang dat de vliegtuigen, wanneer ze dat ding zouden ontdekken ze de molen zouden aanvallen. Zeker omdat we hoorden dat het op sommige plaatsen was gebeurd. Op een dag zijn wij, Piet de Wolf en Ko, Willem Hamelink en ik door het luik op het platte dak van de molen geklommen en die windwijzer in de watergang er naast laten vallen. Die molen had namelijk geen wieken meer. Achteraf gezien levensgevaarlijk, want de Duitsers hadden ons er zo vanaf de duinen af kunnen schieten, maar daar heeft niemand toen bij stilgestaan. Onder die molen was ook niet zoveel ruimte; we konden niet rechtop staan, dus moesten we altijd gebukt lopen of anders zitten.

Een paar dagen later valt er een granaat op het huis van Izak de Bruijne waardoor het keldergat helemaal versperd was. Marien Rossier de gemeenteopzichter had de gewoonte iedere morgen na een beschieting op controle te gaan en die ontdekte dat mijn ouders met nog andere mensen in de kelder opgesloten zaten. Hij heeft met behulp van anderen hen bevrijd en die zijn dan naar de schuur van De Putter aan de Erasmusweg gevlucht, waar ze in een brandvrije koeienstal kropen.

De laatste dag voor de bevrijding schoten de Duitsers vanaf de kust zoveel mogelijk schuren in brand. De bevrijding van het dorp kwam 29 okt. 1944. De Canadezen slopen over het erf en maakten kennis met de mensen in de stal, mijn zusje Saar kreeg nog een kinderringetje van een Canadees, en Betsie Misilje, die wat ouder was, een paar oorbellen.

Toen was het ook de beurt aan de schuur en stallen van De Putter (foto). De brandgranaten sloegen in de gevel waar de paardenstal was en waar ook mensen zaten. Dus die mensen in de koeienstal, die een heel eind verder stond, hadden eerst niet in de gaten dat de schuur op een kant al in lichterlaaie stond. Toen er ook een granaat bij de koeienstal insloeg en vrouw Misilje een stuk van het stenen plafond op haar hoof kreeg, liepen ze ook naar buiten en zagen dat de schuur al volop brandde. Al de mensen liepen nu natuurlijk in paniek richting het huis van De Putter, maar die kregen al de rook van de brand op het keldergat en De Putter, een hele dikke man, riep: “Mensen hier kunnen jullie niet allemaal in. We stikken hier. Jullie moeten hier weg. Straks schieten ze op ons.”
Ik had het hele geval van de molen uit gezien en was ondertussen ook bij mijn vader en moeder. Dus dat was grote paniek.

Niemand wist nu eigenlijk waar naar toe; het dorp was vrij van Duitsers maar veilig was het natuurlijk nog niet. Overal konden nog Duitsers verborgen zitten, die schieten konden. Enfin, mijn vader en mijn moeder dachten: we lopen met zijn vieren, want ik zou ook mee gaan, naar Zuidzande, daar woonde op Slikkenburg nog een broer van mijn vader. Maar toen we goed en wel op pad waren brak de hel los, want toen kwamen de Canadezen met een grote aanval met zwaar materiaal om de kust te veroveren, dus zijn we gelukkig ongedeerd teruggekomen en hebben ergens nog een schuilplaats gevonden en toen waren we in het dorp bevrijd.
We hebben beschutting gevonden in de kelder bij bakker Dane van Male in de Prinsestraat. Toen vielen er niet veel granaten meer, alleen werd er ’s nachts nog veel geweer- en mortiervuur gehoord om de Duitsers uit de bunkers aan de kust te krijgen. Dat was dan een paar dagen later ook het geval.

OUWE TAAIE (1944)
Na de gedeeltelijke evacuatie en het later bombardement van Breskens (11-9-1944) kwamen veel Bressiaanders tijdelijk ergens in een ander dorp te wonen. Zo kwamen bij ons in Cadzand ook Bressiaanders te wonen en wel in een huisje dat stond naast café Bron (foto) op de plaats waar nu het verenigingsgebouw het Zwin staat. De beide huizen zijn daarvoor afgebroken.

Die man van dat gezin was een zekere mijnheer Streefkerk, die was met standplaats in Breskens opzichter bij de Waterstaat, en was een zenuwachtig type, autoritair, bazig en vlug kwaad. Je moet natuurlijk achteraf wel bekijken dat het toen een rare tijd was en het wel met de omstandigheden van toen te maken had. Hij was natuurlijk uit een huis voorzien van alle gemakken uit Breskens gekomen en hier moest de familie zich behelpen met veel minder gemak en een veel kleiner en eenvoudiger huis natuurlijk. Nu ik ouder ben en meer ervaring heb kan ik dat natuurlijk beter beredeneren. Trouwens enkele maanden later al, toen ons huis weggeschoten werd, besefte ik hoe al die mensen die voor ons al in de narigheid zaten zich voelden. Maar wij waren toen 16 of 17 jaren en we verveelden ons soms ontzettend. En voor ons was het een persoon die we met zijn allen graag eens plaagden. In elk geval, wij vonden het een rare vogel en hij kreeg de bijnaam van Ouwe Taaie.

Nu had die man een dochter en die moest altijd samen met haar vader kachelblokjes zagen met een boogzaag. Ze stonden dan achter het huis in de tuin. Daar stond een zaagstoel opgesteld en daarin werden dan de blokken gelegd. Ze stonden dikwijls te zagen tot in het duister. Die dochter was van onze leeftijd. Wij zaten dan op het muurtje in het gangetje aan het kerkplein en wanneer ze aan het zagen waren zongen wij het toen heel veel gezongen liedje Ouwe Taaie Joepie Joepie Jee, en dan was er een regel 'en de maan die scheen hem in de nek'. We zaten dan meestal met een heleboel jongens op dat muurtje en we zagen de man rood worden in zijn nek van kwaadheid. Op een avond gooide hij de zaag weg en kwam ons achterna. Dus wij van het muurtje af en de achterweg in en hij ons achterna, wat dom was natuurlijk. Het was al donker en wij bleven vóór hem lopen tot aan het eind van de straat en toen verspreiden we ons in het duister bij Piet de Wolf op het plein en bij wagenmaker Tijs van Dale (foto). Maar Streefkerk liep door en schoolmeester Jan de Keuninck deed net zijn hekje dicht.
Jan de Keuninck woonde in het huis van vrouw De Back wat nu bij de winkel van Erik de Houck gekomen is (thans restaurant en weer woonhuis) en was zeker als meester ook geen idool van ons. Streefkerk pakte Jan de Keuninck vast, overtuigt dat hij één van ons te pakken had en riep: “Nou heb ik je en ik laat je nooit meer los!”. Wij maar lachen natuurlijk. Toen hij de verbouwereerde Jan de Keuninck flink had vastgepakt en door elkaar geschud en uitgefoeterd had, kreeg hij er erg in dat het een verkeerde was. Dat was natuurlijk niet zo plezierig. Hoe dat onderling geregeld is weet ik niet.

Dat zijn van die gebeurtenissen uit je jeugd. Als je die nu op mijn leeftijd herbeleefd in je gedachten dan denk je wel eens, eigenlijk waren dat ook rotstreken. Als mijn kleinkinderen het nu zouden doen zou ik het niet leuk vinden.

DE LANDAUER (1944)
In de oorlog was er voor ons jeugd natuurlijk weinig te doen. De zaterdag en zondag zaten we veel bij Saam Masclee in café In De Buitenlust bij de molen, ook de meisjes kwamen daar naar toe. We gingen ook wel met de tram naar Oostburg en te voet terug met de hele ploeg.

Rond Dolle Dinsdag (5 sept. 1944) werd het angstig drukkend. De bevrijders rukten op richting Antwerpen en de Duitsers die teruggekomen waren uit Frankrijk hadden veel paarden en wagens en ander vervoer meegenomen.
Op een gegeven moment liepen hier overal van die witte Franse paarden. Je merkte dat er iets stond te gebeuren. De Duitsers waren nerveus, die wisten natuurlijk al wat ons misschien te wachten stond.

Zo stonden we weer eens aan de molen, ik meen de eerste oktober 1944, en we verveelden ons dood. Ineens zagen we een Frans paard aan de molenberg lopen en die had zijn tuig nog aan. Ik weet niet meer wie het zei, maar hij merkte op, dat als we nu een wagen hadden, we konden rijden. Piet van Akker zei dat er bij Kools een landauer staat. Die is wat apart gezet, want die willen ze eigenlijk bewaren. Hij kon dat weten, omdat hij met zijn broertje en vader en moeder daar tijdelijk inwoonde. Die kan van Kools zijn of van Dekker, want Dekker was daar met zijn boerenbedrijf naar toe gekomen toen hij van de Duitsers zijn boerderij De Berghofstede moest verlaten. (foto: links In De Buitenlust, rechts de molen van Izaak Voogdt)

De landauer kon ook door terugtrekkende Duitsers achtergelaten zijn, dat gebeurde ook veel. Ik weet niet meer precies van wie die eigenlijk was, maar we konden er mee gaan rijden. We stapten bij de molen in (natuurlijk met te veel). Piet van Akker was de koetsier. Ik weet niet meer wie er allemaal bij waren. Ik natuurlijk (Leendert Fremouw), Piet van Akker, ik meen Reinier van de Luister, Ko de Wolf, Ko Fokke, Willem Goossen geloof ik, en van de meisjes Jenny Leenhouts, Lien Masclee, misschien Marie van Houte en Sanne Goossen en nog enkele anderen. Als er namen bij staan die er niet bij waren en andere ontbreken, neem mij niet kwalijk. Het is ook lang geleden.
Dat was natuurlijk een bende van jewelste. Natuurlijk veel te zwaar; hadden we nu maar stil gezeten, maar een stel jongens en meiden van 17 of 18 jaar, wat wil je.

Bij Potjes reden we richting Breskens en een paar honderd meter verder zagen we dat ze de watertoren (Oostburg) lieten springen. We hebben nog stil gestaan en we zagen de toren als een pudding in elkaar zakken. Een eind verder brak de as van de koets, op de plaats waar de Miliano woont. We hebben de koets op de boerderij van de fam. Quaak, nu een Cappon, gezet en Piet van Akker is te paard en wij zijn te voet naar huis gegaan. Ko de Wolf zijn vader was smid en Ko zei: “Als we nu samen betalen, dan vraag ik aan mijn vader of hij die achteras wil maken.” We verdienden allemaal, dus de betaling was geen probleem.
De andere dag hebben we een ploegsleetje (de ouderen kennen dat nog wel) onder de koets gezet op de plaats van het ene wiel en zo de koets bij de Wolf op het plein gezet. Piet de Wolf zei: “Ik ga hem pas maken als de Duitsers weg zijn, anders nemen ze hem nog mee.”

Enige tijd later vielen de eerste granaten in Cadzand. Piet de Wolf en zijn vrouw stonden in de keuken, ineens een geweldige slag. Ze lieten zich op de vloer vallen en toen ze een tijd later door de kapotte ramen en kruitdamp durfden kijken zei Piet de Wolf: “De koets is weg.” Die had een voltreffer gekregen en was in duizend spaanders.

DE GIDS (1944)
Dit speelde zich af tijdens de slag om de Scheldemonding oktober 1944. Tijdens de beschieting van Cadzand waren in de molen veel burgers die daar beschutting zochten voor vliegtuigbommen en granaten. Op het laatst waren er zeker wel meer dan honderd.

De molen was rond de eerste verdieping, die boven de molenberg uitstak, versterkt met pakken stro. Op die verdieping sliepen de jongeren van het gezelschap. Onder in het gewelf bivakkeerden ouderen en ouders met hun kinderen. De grote deuren waren met pakken stro veilig gemaakt voor scherven. Er stond een fornuis waarop werd gekookt door een commies die uit Sluis was gevlucht met zijn gezin, omdat Sluis helemaal in brand stond. Vlees was er genoeg van al de getroffen koeien in de wei. Het beste aten we op. Er stond natuurlijk altijd een witte vlag te wapperen om te laten zien dat er burgers zaten.

Toen de Duitsers aan het terugtrekken waren, kwamen er steeds meer ongeregelde groepen Duitsers langs, die van de Molendijk (nu Ringdijk Noord genoemd) kwamen. Die waren teruggetrokken van Breskens en Nieuwvliet. Ondertussen waren er geruchten dat de Canadezen Oostburg al hadden bevrijd. Je hoorde veel schieten van die kant, dus allen zaten vol spanning en met angst te wachten op de dingen die komen zouden.

Op een zeker ogenblik komt er weer zo een ongeregelde troep Duitsers langs de molen, sommigen gewond en in een zekere paniek toestand. Ze staan op het kruispunt wat te dralen en Bram Vasseur (foto) een klein parmantig mannetje met grote snor stapt in hun richting en zegt op zijn Cadzandse Duits: “Andere Soldaten nach Knokke gefahren.”, en hij wees met de hand in de richting Knokke. Hij kon het niet anders uitleggen maar het werd toch goed begrepen door de Duitsers. Hij had de logische achterliggende gedachte: hoe minder er in de richting Oostburg gaan, hoe sneller de Canadezen hier zijn. En we hadden al veel Duitsers langs de Retranchementseweg richting Knokke weg zien trekken.
Enfin, de commandant zegt tegen Bram dat hij dan even de weg moet wijzen en Bram zegt: “Dan ga ik eerst een paar andere kloefen halen.”, gaat een paar andere klompen aandoen en gaat met die groep Duitsers door de Keuvelstraat naar de Retranchementseweg en zegt: “Zo weiter nach Knokke.”
Hij kwam glunderend terug met in zijn armen een bus 'Schweinefleisch' (varkensvlees) die hij nog gekregen had voor de moeite.
Elk jaar in oktober en november moet ik nog aan dat voorval denken. De andere dag kwamen de Canadezen door tot Cadzand dorp.

HET STRAND (1944-1945)
Het strand was in 1944 geheel veranderd in een groot net van versperringen tegen een invasie.

Begin November 1944 was bijna heel Zeeland bevrijd, dus was de Schelde open voor de scheepvaart naar Antwerpen. Vanaf die tijd voeren konvooien met schepen naar het bevrijde Antwerpen. Die schepen waren geladen met spullen voor de bevoorrading van de troepen die zich klaarmaakten voor de algehele bevrijding. Vanuit Hellevoetsluis (nog niet bevrijd) kwamen toen Duitse eenmansduikboten naar de Scheldemonding om met torpedo’s de vrachtschepen tot zinken te brengen. Op het strand aan de Vlamingpolder in Cadzand is in de winter 1944-1945 nog zo een duikbootje aangespoeld met het bemanningslid er nog in, dood natuurlijk. Ik heb er met anderen nog bij gestaan.

De schepen van toen hadden nog allemaal aparte ruimen en er waren nog geen containers, dus wanneer een torpedo of mijn of een vliegtuigbom het schip trof was allereerst de lading uit het ruim, dat direct getroffen was, dat het eerst in zee terecht kwam.
Zo kon het gebeuren dat in januari 1945 het hele strand bij Cadzand vol lag met zakken bloem, in fijn linnen zakken van 25 kilo. De eerste dag had je daar haast nog geen afval aan, want het zeewater trok maar langzaam in de bloem . Het was deeg of het was goede droge bloem. Zo had je bijvoorbeeld de eerste dag dat het in water lag misschien nog 23 kg bloem, een week later spoelden er nog aan, daarvan was misschien zeven of acht kilo verloren. De zakken sneed je van boven open, de bloem viel er uit en de deegrand bleef zitten. Die werd iedere dag dat de zak in het water lag iets dikker. Het kon ook gebeuren dat, wanneer het gestormd had, er weer een ruim open brak en de wind de goede richting had, er pakjes sigaretten, eierpoeder of melkpoeder aanspoelden, dus je kunt begrijpen dat er aan eten hier toen geen gebrek was. Er werd wel door politie en zelfs door douane op gelet, maar elk had wel wat. Ook scheepsbeschuit is er veel aangespoeld.

Ik weet nog wel dat, toen hier de bloem aanspoelde, in de Ardennen het offensief begon, hier honderden Duitse vliegtuigen laag over het water kwamen en voor de duinen moesten optrekken. De bedoeling was om alle vliegvelden in Vlaanderen en Noord-Brabant, die natuurlijk in geallieerde handen waren, aan te vallen en de daar aanwezige vliegtuigen te vernietigen. Operatie Bodenplatte was de militaire term. Honderden Duitse vliegtuigen zijn toen neergeschoten, maar ook zijn er honderden geallieerde vliegtuigen op de grond vernield. Ook in Cadzand is toen een Duits vliegtuig gevallen, halverwege langs de weg van Cadzand naar Retranchement. De vele schepen die toen in de Schelde gezonken zijn moeten opgeruimd worden met het oog op de verdieping van de Schelde, vanwege de grotere diepgang van de schepen. Vooral de containerschepen worden steeds groter.

Ik heb geschreven over die eenmansduikboten met hun torpedo’s, maar natuurlijk kwamen er ook Duitse vliegtuigen regelmatig boven de Schelde om de schepen te bombarderen en voor het leggen van magnetische mijnen. Er spoelden ook minder leuke dingen aan tijdens en vlak na de oorlog; ik bedoel natuurlijk lichamen van militairen, matrozen en zeelui van allerlei nationaliteit. Die werden hier in Cadzand op het kerkhof tijdelijk of definitief begraven.

DANSEN BIJ SAAM MASCLEE (1944)
Toen wij hier in Zeeuws-Vlaanderen bevrijd waren door de Canadezen, kwamen er al snel in Cadzand Engelse soldaten met luchtafweergeschut en zoeklichten. Die stonden langs de kust om het luchtruim boven de Westerschelde vrij te houden van Duitse vliegtuigen, die de transportschepen aanvielen, die via de haven van Antwerpen voedsel en munitie aan wal brachten.

Zo kwamen er in het café van Saam Masclee (foto: In De Buitenlust) ook Engelse soldaten te liggen. Vlak bij op het tramwissel waar nu de winkel van Petra staat (P and T chocolate and presents) kwam er ook een zoeklicht. De soldaten sliepen allemaal in het café. Het café bleef gewoon open. De bedden van de soldaten stonden een beetje aan de kant op de vloer van het café. De weegbrug werd omgetoverd tot militaire keuken, daar hebben wij ook van geprofiteerd. Wij kregen regelmatig thee en wittebrood met kornètbief (corned beef).

De bevrijdingsroes zat er bij ons in. We waren jong en wilden dat uiten met dansen en plezier maken. Dus wij vroegen aan de Engelse commandant of er gedanst mocht worden. Hij had geen bezwaar, en de manschappen helemaal niet natuurlijk. Saam Masclee zei: “Ik wil wel, wanneer de burgemeester het goed vindt.” Nu was Izak de Bruijne van Melle (foto) waarnemend burgemeester en die kon in verband met zijn Christelijke levensovertuiging geen toestemming geven voor de zondag, maar zaterdagavond vond hij geen bezwaar. Nu nog een muzikant. Omdat zijn dochters het vroegen, was slager Piet de le Lijs wel bereid om op zijn trekharmonica te komen spelen. Dus zaterdagavond werd er door de soldaten plaats gemaakt door de bedden wat korter op elkaar te zetten, een tafeltje voor de muzikant en het dansfestijn kon beginnen. Dat werd een zo geslaagd feest, dat het bijna iedere zaterdag bal was. De waarnemend burgemeester heeft ons wat dat betreft alle medewerking gegeven. Er zijn daar in die tijd verschillende romances opgebloeid en geloof nog wel een paar van blijvende aard.

Het gebeurde verschillende malen dat het alarm was en het zoeklicht aangedaan werd als er vliegtuigen van de Duitsers overvlogen. Dan werd er van de kust, waar het geschut stond, op geschoten. Dan was het wel even wat rommelig. De soldaten moesten natuurlijk bij hun bedden om de helmen en andere spullen te pakken.

Er was wel een moeilijkheid, dat was de biervoorziening in die tijd. Bij ons waren er nog niet veel brouwerijen in productie natuurlijk. Dus kon het gebeuren dat Saam Masclee (de herbergier), wanneer we wilden dansen, zei: “We kunnen wel dansen, maar ik heb niet veel bier.” Toen zijn op een keer Piet van Grol en Jas Pleyte met een kar en een Frans paard naar België gereden om bier, ik meen naar West- Kapelle. Die Franse paarden liepen toen hier zoveel, want die waren toen door de uit Frankrijk terugtrekkende Duitse soldaten meegenomen uit Frankrijk. Piet en Jas kwamen terug met een paar vaten bier en het was weer opgelost. Over de grens werden de cafés al volop bevoorraad uit het achterland. Ik heb aan die tijd, en ik denk anderen ook wel, een mooie herinnering.

Die dansavonden werden op den duur zo bekend dat jong en oud, ook uit andere plaatsen, er op af kwamen. En wat denk je van die soldaten, dat die niet genoten. Die hadden nooit moeite om aan een danspartner te geraken. Ik ging zelf kort daarop ook in militaire dienst en was in Knokke gelegerd.

Leendert Fremouw.
bewerking: cadzandgeschiedenis, Bert voets