ST. JANSPOLDER

In 1505 gaf Filips de Schone, graaf van Vlaanderen, de schorren en aanwassen aan weerszijden van het Zwarte Gat uit aan zijn raad en kamerling Willem van Croy, heer van Chièvres en ridder van het Gulden Vlies, en aan Jeronimus Laureijn, heer van Watervliet. Toen de bedijking van deze gebieden begon, waren het niet de oorspronkelijke concessionarissen Croy en Laureijn, maar de Brugse koopmansfamilie Adornis, aan welke zij hun recht hadden overgedragen. Jan Adornis (1494-1537) heette oorspronkelijk Jehan (de) la Costa. In 1512 wijzigde hij zijn naam in Jehan Adourne en huwde met Katheline Metteneye in 1521. Jehan Adourne erfde een kasteel, huizen en enkele Heerlijkheden in Belgisch Vlaanderen.



In deze streek verbasterde zijn naam tot Jan Adornis. Door Jan Adornis is in 1527 het Tuinekensschorre drooggelegd, dat daarna St. Janspolder genoemd werd (245 ha.). Het was de eerste drooggelegde polder van de Heerlykheit van Nieuwvliet (= nieuw ingepolderd land aan een zeearm). Er was onmiddellijk veel belangstelling van pachters: Jacop Passcaris, Adriaen vander Ee, Cornelis fs. Witte Pieters, Adriaen de Veughelaere, Mateux Hendricx, Jacop de Veughelaere, Maertin Nieux, Joos Bave, Andrieu Gheerseune en Pyeter Paris.

Heerlykheit van Nieuwvliet
Een Heerlijkheid is een bestuursvorm en stond onder het gezag van een Heer. De Heer oefende in eigen naam binnen de Heerlijkheid overheidsgezag uit en kon bepaalde belastingen ten eigen bate heffen. Dit overheidsgezag had de Heer in leen van de vorst in ruil voor bepaalde diensten zoals militaire hulp en trouw.
De Heerlykheit van Nieuwvliet werd in 1529 erkend door keizer Karel V. De Heerlykheit had een eigen rechtssysteem en kreeg allereerst lage rechten. De lagere jurisdictie hield in de bevoegdheid tot het uitoefenen van notariële taken zoals opmaken van testamenten, verdeling van erfenissen, en opstellen van verkoopaktes. Met de uitbreiding van de Heerlykheit van Nieuwvliet met meerdere polders kreeg het een hoge jurisdictie met onder andere het recht tot het voltrekken van doodvonnissen. De galg stond in de St. Janspolder aan de splitsing Ter Moere/Akkerweg.

Het octrooi uit 1505 gaf ook de plicht een kerk te stichten onder toezicht van het bisdom Doornik en haar dekenaat Aardenburg. De kerk en het dorp werden in het midden van de huidige Kapelleweg gebouwd. In de loop van de 16e en 17e eeuw stonden er 13 huizen.

De kapel St. Pieter
De eerste steen voor de R.K. kerk werd gelegd op 24 juli 1528, 4 maanden na de bedijking van de St. Janspolder. Het kerkgebouw had 5 gewelven. Aannemers Jan en Michiel Bitereel, timmerman Cornelis vanden Westhuse en schaliedekker Guillaume Bokuse waren de bouwers. De kozijnen van de 8 ramen zijn geplaatst door Christiaen Sixdeniers. De beide ramen achter het altaar stelden ‘St. Pieter in het scheepje’ en ‘De geschiedenis van het Heilig Kruis’ voor, vervaardigd door glazenier Pierre vanden Dijcke. Totale bouwkosten 200 pond. De consecratie (inwijding) van de R.K. kerk gebeurde op 22 juli 1529 door bisschop Nicolaas de Bureau van het klooster Sarepta uit Moerkerke. De Jeronimusklok was al op 5 december 1528 gewijd. Een kerkklok had een eigen naam. De inwijding van de kerk kostte een schaap en 2 tonnen bier aan verteer.

In oktober 1528 werd tussen Adornis en de abt van de St. Baafsabdij te Gent, aan wie als patroon de benoeming toekwam van de pastoors in het dekenaat Aardenburg, overeengekomen dat Jan Adornis “op zijn Heerlykheit, dewelke hij uit de zee bedijkt heeft, zal mogen doen maken een parochiekerk, die men noemen zal de kerke (parochie) van Nieuwvliet”.
Adornis en zijn rechtverkrijgenden zouden gedurende 100 jaar de pastoor van Nieuwvliet benoemen, met dien verstande dat de bisschop van Doornik de gedane benoemingen elke keer zou moeten goedkeuren, en dat na het verlopen van genoemde termijn het recht van benoeming aan de abt moest vervallen. Verder zou de pastoor verplicht zijn in persoon op Nieuwvliet te wonen en zijn parochie zelf te moeten bedienen, achttien jaar lang van Adornis een dotatie (toelage) van 7 pond bekomen en daarnaast van de abt een jaarlijkse wedde ontvangen van 6 pond. De eerste pastoor was Lodewijk Jordaen, in 1534 opgevolgd door Jan Wijtze, in 1553 door Johannes de Kerf en in 1560 door Petrus van Wijncksele. Daarna nam de invloed van de hervormden de overhand.

(Die benaming ‘Kapel van St. Pieter’ is niet juist. Een kapel is iets anders dan een kerk. Als in de middeleeuwen de bevolking in uitgestrekte parochiën toenam bouwde men, om de gelovigen, die ver van de kerk af woonden, niet van den openbare godsdienst verstoken te laten, een kapel, waarin dan de parochiepriester/ pastoor door zijn kapellaan de mis liet bedienen en al of niet nog andere godsdienstplechtigheden liet verrichten. Zulk een kapel bleef ondergeschikt aan de parochie- of hoofdkerk. In de overeenkomst van 1528 was geen sprake van het oprichten van een door een kapellaan te bedienen kapel, maar van een parochiekerk met een eigen pastoor.
Parochiekerk, niet kapel, is dan ook de titel, die aan de Nieuwvlietse kerk gegeven wordt in een tweetal acten, waarbij de waarnemende bisschop van Doornik de benoemingen goedkeurt van Johannes de Kerf dec. 1553) en Petrus van Wijncksele (juni 1560) tot pastoor van Nieuwvliet. Uit die beide oorkonden is op te maken dat de kerk was toegeheiligd aan St. Pieter in het scheepje (St. Petrus in navicula.)
)

Gezindten
Petrus van Wijncksele was de laatste priester, want in 1582 meldden zich hervormden bij de classis (vergadering) van de hervormde gemeente te Breskens. De hervorming in het Land van Cadzand bleek in gang gezet.
Uit een brief van de Cadzandse predikant Marcus ab Halle blijkt, dat de St. Pieterkerk in 1609 door de hervormden in gebruik is genomen en dat ab Halle er diensten hield tot 1517. Rond die tijd vertrokken inwoners naar de buurtschap St. Pier in de Grote St. Annapolder bij de schans St. Pieter en kerkten zij in Groede. Het aantal inwoners in oud-Nieuwvliet was dermate geslonken, dat ab Halle er niet meer wilde prediken en de gelovigen adviseerde de dienst in Cadzand te volgen. Volgens de Cadzandse predikant Petrus Dobbelaer was de St. Pieterkerk in 1650 een bouwval. Het kerkhof aan de Kapelleweg bleef tot 1708 in gebruik.

Vanaf 1626 vestigen zich doopsgezinden in de streek en oud-Nieuwvliet. Hun voorlezer was Bartholomeus Mulier. De eerste jaren kerkten zij onder het afdak van een schuur of in een huiskamer. In 1655 kochten zij een partij land in de St Annapolder van de Heer van Nieuwvliet en bouwden er op hun eigen kosten een vermaanhuis (kerkgebouw).
Predikant Petrus Dobbelaer uit Cadzand meldt in 1659 dat de doopsgezinden in het bezit waren van de grootste hofsteden met 650 gemeten van de beschikbare 1003 gemeten landbouwgrond en dat zij daarmee een welvarende gemeente vormden met veel invloed.
In 1657 was de oprichting van een gereformeerde gemeente met eigen predikant in (nieuw-) Nieuwvliet in gang gezet.

Door tegenvallende opbrengsten in de landbouw en de kosten voor het onderhoud van ingekwartierde soldaten tijdens de Spaanse successieoorlog (1702-1713) vertrokken veel lidmaten van de doopsgezinde gemeente naar Cadzand en Aardenburg. Het ledental slonk rond 1730 van 90 naar 45. Hun predikant Roelof Agges Jonker werd geschorst wegens dronkenschap en overleed in 1730. De gemeente verarmde hoe langer hoe meer, moest in stand worden gehouden door de liefdegaven van de zustergemeenten te Amsterdam, Leiden, Middelburg, Vlissingen en Aardenburg en bezat sinds omtrent 1753 zelfs geen eigen predikant meer. Men kerkte te Aardenburg. De doopsgezinde gemeente Nieuwvliet werd in 1777 opgeheven.

Korenmolen
De gemeenschap werd tot 1619 bediend door windkorenmolen de Oostmolen aan de Strijdersdijk. Deze molen kreeg in de loop van de tijd te weinig capaciteit voor het bedienen van Cadzand en Nieuwvliet. Op 7 december 1619 werd aan familielid Jonker Lambrecht Adournis, toegestaan een vrije windmolen ten dienste van de Heerlykheit op te richten aan de huidige Kapelleweg. De mede-eigenaar was Lieven Stevens, landbouwer op de Berghofstede uit Cadzand. Deze molen is in 1662 omgewaaid en niet meer herbouwd. Lieve Stevens bouwde een nieuwe molen bij het nieuwe Nieuwvliet.

Stormvloed
De grote storm- en overstromingsramp op Sint Felix quade Saterdach (5,6 en 7 november 1530) laat grote delen van west Vlaanderen onder water lopen. Op Casant bezwijkt de noordelijke zeedijk van de Oudelandsepolder en staan 9 polders onder water.
De Tienhonderdpolder schijnt in mindere mate te zijn aangetast, maar de in 1528 bedijkte St. Janspolder vloeide weer geheel in, zodat het nieuw gestichte kerkdorp Nieuwvliet overstroomde.
Herdijking vindt plaats in 1533.

Het Zwarte Gat was in het begin van de 15e eeuw een stroomgeul, in 1422/25 bedijkt en in 1473 weer geïnundeerd. In 1623 werd het Zwarte Gat weer bedijkt. In de St. Janspolder bleef een kreek over die de ‘Drynk’ werd genoemd. Door kanalisatie is het tegenwoordig een afwateringssloot.

Na de drooglegging van de St. Annapolder in 1602 vertrekken steeds meer inwoners naar St. Pier, bij de schans St. Pieter. Eind 18e eeuw is de naam veranderd in Nieuwvliet.

(kaart uit 1640) Vanaf de 19e eeuw wordt het oude Nieuwvliet op kaarten aangeduid met Kapel St. Pieter. Op kaarten uit de 17e eeuw is het nieuwe Nieuwvliet nog aangeduid met St. Pier.

Resumé:
1528: aan de Kapelleweg een kerk gebouwd. Er vormt zich een woongemeenschap van 13 huizen met de naam Nieuwvliet.
1530: Nieuwvliet overstroomd, herdijking is in 1533.
1602: Hervormden worden de nieuwe inwoners en nemen de St. Pieterkerk in gebruik.
1620: Nieuwvliet krijgt een eigen windkorenmolen.
1626: Doopsgezinden vestigen zich in Nieuwvliet. Hervormden vertrekken naar St. Pier.
1650: De St. Pieterkerk is een bouwval.
1662: de korenwindmolen waait om en wordt niet herbouwd.
1708: De laatste begrafenis op het kerkhof van de St. Pieterkerk.
1730: Het inwonersaantal halveert.
1777: De Doopsgezinde gemeente wordt opgeheven. De naam Nieuwvliet wijzigt in Capelle (van St. Pieter).
1794-1810: Napoleon Bonaparte voert de huidige bestuursvorm in.

De hofsteden van de St. Janspolder
(de nummering wordt gebruikt in ‘De Hofsteden van Cadzand’, uit 1977 door drs. H. van de Vijver, een heruitgave met uitbreiding van het gelijknamige boek uit 1928 van dr. J. de Hullu. De beschrijvingen zijn uitgebreid tot heden door cadzandgeschiedenis.nl)

  1. Ter Moere, hofstede van Daniel Janssen
  2. St. Jansdijk 5, hofstede St. Jan
  3. St. Jansdijk 1, hofstede De Boerenhoeve
  4. St. Jansdijk 7, hofstede Het Koekoeksnest
  5. St. Jansdijk 9, hofstede Vrede en Rust

Bron:
Historische Geografie van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen, deel II, Gottschalk, M.K.E., 1958.
De kapelle St. Pieter onder Nieuwvliet, J. de Hullu, 1904.
Bijdragen tot_de oudheidkunde en geschiedenis van Zeeuwsch-Vlaanderen, deel 3 en 4, J. van Dale, 1858.
Dale, J.H. van; Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis van Zeeuwsch-Vlaanderen, deel 3 en 4, 1858
Kaart van het Brugse Vrije, Pieter Pourbus, 1578
De hofsteden van Nieuwvliet, J. de Hullu, 1928
A.J. de Bruijne, Knokkertweg
Het Vrije van Sluis, door Marc de Vleesschauwer, 2013, p.14
Lex van Houte
Jehan Adourne Seigneur de Nieuwenhove et de Nieuwvliet; Biekorf, Alfons Dewitte, 2001
Google Earth, 2016
Wikipedia.org, Nieuwvliet, 2016
cadzandgeschiedenis.nl