Hoe we vroeger dijken bouwden

Ver voor het jaar 1000 zijn we hier gekomen als immigranten. Om te voorkomen dat we natte voeten kregen, deden we wat kinderen op het strand nu ook nog doen: een heuvel bouwen.

Stel je het landschap rond het jaar 1000 voor. In de vlakke wildernis van slikken, schorren, kreken en moerassen staat alleen hier en daar een woonterp. Daar trokken de mensen, de koeien, de schapen en de andere have zich terug als het water kwam. Midden op de heuvel was een put uitgegraven waar zich regenwater verzamelde: het drinkwater voor mens en vee. Iemand heeft op een dag de dijk 'uitgevonden'.
Op aanslibbende schorren wierpen ze dijken op die het water zeewaarts moesten dwingen. Het land achter de dijken noemden ze een polder. Dijken? De dijk rond het eiland Kadzand was niet veel hoger dan 3.50 meter. Hoe de mensen in die tijd de grond voor en dijk bij elkaar kregen? Graven met schoppen, de aarde in manden vervoeren of op draagberries: een man voor, een man achter. En tussen hen in gedragen een houten bak met aarde. Later deden de kruiwagens en door paarden getrokken karren hun intrede. Al snel ontwikkelde de dijkbouw zich tot een vak, waarbij de kennis van vader op zoon werd overgedragen. Met de dijk deden begrippen als dijk- en oeverval hun intrede, in de Middeleeuwen met een mooi woord ook 'grondbraak' genoemd. Immers bij laagwater, als er geen druk op de dijkvoet stond, gebeurde het dat het onderlichaam van de dijk spontaan wegblubberde in de geul. Vaak ging dat met een donderend lawaai, een soort onweer, gepaard. Verdween de dijk helemaal in het diepe dan zat er niets anders op dan het gat 'buiten te dijken'. Landinwaarts werd dan in een halve ring een nieuwe dijk aangelegd, een vingerling.

De man die als eerste de kennis over de bouw van dijken verzamelde en op papier zette was dijkgraaf Andries Vierlingh uit het West-Brabantse Steenbergen. Hij schreef rond 1570 het Tractaet van Dijckagie. Dat is het eerste standaardwerk van de Nederlandse waterbouwkunde geworden.

In de tijd van Vierlingh had de bouw van een dijk zich ontwikkeld tot een gecompliceerde technische operatie, waarbij honderden en soms duizenden arbeiders werden ingeschakeld. Veel van die dijkwerkers kwam, ook in Vierlinghs' tijd, uit de regio die nog altijd als een bakermat van de Nederlandse waterbouw geldt: de Alblasserwaard met als kernen Sliedrecht, Hardinxveld en Kinderdijk. Hadden de landmeters het te bedijken schor verlaten, dan arriveerde het dijkleger. Aannemers die elk over een ploeg werkvolk beschikten, kregen een dijkvak van tachtig meter toegewezen. Eerst werd er aan de zeezijde een dammetje opgeworpen. Dat heette de achterkade. Het moest de 'bouwput' beschermen tegen instromend water. Haaks op de achterkade werden om de 240 meter ook dijken gebouwd: de haagkaden. Die moesten voorkomen dat bij een onverhoopte doorbraak van de achterkade de bouwput vol zou lopen.

De bouwput werd weer onderverdeeld in schaapstallen. Spekgladde dammetjes waarop twee kruiwagenvoerders elkaar net konden passeren scheidden die schaapstallen van elkaar. De aannemers die elk over een eigen ploeg dijkwerkers beschikten, kregen elk een aanbesteding van 80 meter toegewezen. Het werk begon langs de hele dijkring gelijktijdig zodat men op hetzelfde moment op hoogte was. Waarom kregen de aannemers niet meer dan 80 meter? Simpel omdat aannemers en hun werkvolk niet tot de braafste lieden behoorden. Ze durfden rustig een dood paard of een uit elkaar gevallen wagen in de dijk te begraven. Hadden ze wat geld gekregen, dan gingen ze er dikwijls vandoor, vooral in de zomermaanden als het oogsttijd was. Het boerenwerk betaalde immers beter.

Ging een aannemer er vandoor dan kon het werk makkelijk door anderen opgevangen worden. Zo voltrok zich in de zestiende en zeventiende eeuw de bouw van Nederlandse dijken.