Prins Maurits op Casant in 1604


1587. Midden boven het eiland van Catsandt. Duidelijk zijn de vele geulen in het ondergelopen land te zien. Let op de brug in de monding van 't Zwin. Dat was een uitvinding van de Hertog van Parma en de vestingbouwkundigen Barrocci, Plato en Louis Cambien. Een dergelijke brug hadden zij in 1585 gebouwd in de Westerschelde om de haven van Antwerpen af te sluiten.

In 1587 begint de Hertog van Parma, Alexander Farnese, met de afgrendeling van Sluis. Om hulp aan de stad langs het Zwin te voorkomen laat hij het door een brug afsluiten. Deze bestaat uit een op de zandbank De Grote Plaat gebouwde 1800 meter lange houten vloer op palen en deels uit aan elkaar geketende platte schuiten met een door zijwanden beschutte loopgang over de 300 meter brede vaargeul tussen de Grote Plaat en de oostoever.
Aan beide bruggehoofden staat een fort: op de oostoever ‘De sterckte van Cadsant’, vanaf 1594 ‘fort ter Hofstee’ genoemd, en op de westoever het ‘fort St. Marcus’, na 1604 ‘fort St. Clara’ geheten.

Spinola is ook de uitvinder van de mobiele graanmaalderij. Hiermee is hij niet afhankelijk van de plaatselijke windkorenmolens. De molens van Cadzand zijn vernield.

Prins Maurits verovert het Eiland van Casant
Rond 1600 is het eiland van Catsandt voor een groot deel verlaten door de bevolking. Invallen van geuzen, ziektes, overstromingen en geregelde plunderingen door Franse en Engelse legers zijn hiervan de oorzaak.


Kaart van Pieter van den Keere. Landing van prins Maurits. Het eiland van Cadzand ligt in het midden.

Op 25 april 1604 landt Prins Maurits (foto links) vanuit Arnemuiden en Vlissingen met een vloot van 800 schepen en een leger van 12.000 manschappen te voet en 2000 te paard via het Zwarte Gat op Catsandt. Onder zijn bevel valt ook een compagnie Engelse soldaten onder leiding van Horace Vere. Zijn broeder Hendrik en zijn neven Willem Lodewijk, Lodewijk Gunther en Ernst Casimir zijn ook bij hem, evenals de Vorst van Anhalt en andere hoge personages.
Binnen 2 dagen na aankomst maakt Maurits zich meester van de sterkten op Catsandt ( fort Ter Hofstee bij de ingang van 't Zwin en het redout St. Jan bij Oostvliet). De derde dag verovert Maurits het fort van Coxyde (In 1600 gebouwd door de Spanjaarden waar het Coxyse Gat een aftakking van het Zwin vormt).
Zijn opdracht is, om vanuit Catsandt, de stad Sluis te veroveren, als compensatie van het verlies van het protestante Oostende, dat al 3 jaar in handen van de Spanjaarden is. Waren zij stoutweg aanstonds het Zwin of kanaal van Sluis opgevaren, dan hadden zij waarschijnlijk rechtstreeks tot Sluis kunnen doordringen en die stad bij verrassing kunnun nemen. Maurits was te voorzichtig.

De opperbevelhebber Ambrogio de Spinola (foto rechts) maakt van de afwezigheid van Maurits en zijn leger gebruik om op 6 mei met 2000 manschappen het eiland van Catsandt te heroveren. Er zijn al 600 soldaten aan land, voordat de wacht de invasie opmerkt. Twee vaandels Schotten drijven Spinola terug naar zijn schepen, waarvan er enkele zonken en enkele in beslag werden genomen.

De stad Sluys wordt op 19 mei 1604 veroverd. De overgave wordt medegedeeld door een “bode die uit het leger is gekomen en die bij monde verklaart zulks waarachtig te wezen”. De Staatsen hebben, om Sluys in te kunnen nemen, de dijken doorgestoken. Aardenburg, Oostburg, Catsandt, Groede en Yzendyke staan onder water. Het kerkgebouw van Catsandt is mede daardoor een bouwval geworden.

Na de verovering van het westelijk deel van Vlaanderen tot aan Brugge en Gent maken de Staatsen aanspraak op het gebied. Als Generaliteitsland wordt het rechtstreeks door de Staten-Generaal bestuurd en vooral in economisch opzicht als buitenland beschouwd. Voor bijna alle beslissingen is toestemming uit Den Haag nodig. De naam van het gebied wordt gewijzigd in Staats-Vlaanderen. Pas in 1814, na herovering van het gebied op de Fransen, is sprake van Zeeuws-Vlaanderen als het gebied bij het Koninkrijk der Nederlanden wordt gevoegd.

Catsandt hoort nu bij de Noord-Nederlandse gewesten. Het bestuur van Staats-Vlaanderen wordt in Sluys gevestigd onder de naam ‘Het Vrije van Sluys’.
Op 25 april in 1605 worden door het bestuur in Catsandt Jan Lambrecht en Claes de Meulenare tot hoofdman benoemd. Deze behartigen onder andere de dorpsadministratie en leggen straffen op voor kleine overtredingen. Ze worden bijgestaan door de schutters Jan van Lanschoot en Adriaan Hazaert. Schutter Willem Huwijn wordt op Ter Hofstede gestationeerd, schutter Adriaan Tiers op Sint Jan (Oostvliet, zie Tienhonderdpolder) en schutter Charles Adriaans op Sinte Pier (nieuw-Nieuwvliet).
Op 4 juli wordt een verplichte wapenschouw gehouden op het Eiland van Catsandt, te voet en te paard van alle mannen tussen 20 en 60 jaar.

De notabelen van het Land van Catsandt, dat al in 1582 tot het protestantisme begon over te gaan, haasten zich te verklaren dat de inkomsten van de tienden, die de Mariakerk ontvangt (in werkelijkheid de St. Baafsabdij te Gent), voldoende zijn zowel voor het onderhoud van een predikant als tot restauratie van het vervallen kerkgebouw. Het zal nog tot 1609 duren voor tot herbouw van de zuidbeuk kan worden overgegaan.

Kort na de verovering emigreren vanuit Walcheren en Zuid-Beveland landarbeiders naar het Eiland van Catsandt om de braakliggende akkerlanden te bewerken. Een groot deel bestaat uit protestantse Vlamingen, die vanwege hun geloof in 1570 naar Zuid-Beveland gevlucht waren. Op deze wijze wordt Catsandt automatisch protestant. De leegstaande Mariakerk wordt in beslag genomen en men laat het gebouw eerst ‘reinigen’, dat wil zeggen, ontdoen van alle beelden en overbodige versiersels.

In september 1621 doen in opdracht van Spinola 5.000 soldaten met 4 cornetten paarden (ruitercompagnie) onder leiding van Inigo Brogado, gouverneur van Antwerpen, een aanval op het Eiland van Casant. Zij komen in alle stilte bij Watervliet en denken via de St. Catalijneschans en Oostburg op het eiland te komen. Maar Haultijn, gouverneur van Sluis, is op zijn hoede en de troepen moeten zich terugtrekken. Met de eerstevolgende springvloed worden de dijken terplaatse doorgestoken en overstroomt het land, tot groot verdriet van de bewoners.

In 1628 proberen de Spanjaarden nog een aanval op het Eiland van Casant. Zij hebben daartoe veel volk en boten bijeengebracht. De aanval wordt afgeslagen en met verlies van 400 manschappen moeten zij zich terugtrekken. Daarna volgen nog enkele vruchteloze pogingen en worden de aanvallen gestaakt.

Bron:
Goesin, Petrus de; Jaerboecken der stad Brugge, tweede deel (periode 1477-1700); 1738.
Swalue, E.B.; De daden der Zeeuwen gedurende den opstand tegen Spanje; 1846.
Vynckt, L.J.J. van der; Nederlandsche beroerten onder Filips II, 3e deel; 1825
Bossu, Jozef; Fortificaties in de Zwinstreek en het Brugse Vrije tussen 1579 en 1839 in de klassieke cartografie; 1979
Huizinga F.; Van Heemskerck vs. d'Avilla; 2009.
Kaart, Pieter van den Keere (Petrus Kaerius), 1604.