'Door vlijtig lezen wordt m'onderwezen'

Rond 1750 konden vrijwel alle grotere boeren en een ruime meerderheid van hun echtgenotes lezen en schrijven. Sommige rijke boeren begonnen een bibliotheek op te bouwen waarvan de omvang kon uiteenlopen van een twintigtal tot een paar honderd banden. Voor wie niet zo veel geld had of er niet te veel aan wilde besteden, was er sinds het eind van de achttiende eeuw een oplossing: het leesgezelschap.

Leesgezelschappen bestonden meestal uit een tiental personen die samen boeken kochten. Deze boeken werden dan bij toerbeurt gelezen en men kwam periodiek bij elkaar om de gelezen boeken te bespreken, nieuwe boeken te bestellen en soms naar een lezing te luisteren. Onder de leden van deze leesgezelschappen bevonden zich naast predikanten veel landbouwers. Het betrof slechts een half procent van de plattelandsbevolking dat regelmatig boeken aanschafte en onderwijs genoot. Cadzand was in die periode een dorpje met vele, voornamelijk grote, hofsteden in de omliggende polders met ongeveer 600 inwoners.

In deze leesgezelschappen speelde de predikant een belangrijke rol: hij was meestal de oprichter en tevens de voorzitter van het leesgezelschap. Predikanten functioneerden min of meer als tussenpersoon tussen het dorp en de wijde wereld – zij introduceerden nieuwe ideeën en nieuwe culturele activiteiten in het dorpsleven.

Vanaf omstreeks 1780 werden in West-Zeeuws-Vlaanderen leesgezelschappen opgericht in Breskens, Sluis, Schoondijke, IJzendijke, Zuidzande en ook in Cadzand. Cadzand telde er zelfs twee.

Het oudste leesgezelschap werd opgericht op 1 januari 1783 door de predikanten Didericus Cornelis van Voorst van de 'Nederduitsch Gereformeerde gemeente' te Cadzand en Jean André Anosi van de Waalse gemeente van Cadzand. De leden kozen Van Voorst tot voorzitter en Anosi tot secretaris.
Naast de twee predikanten waren de eerste leden schoolmeester Willem Pleijte Wzn., chirurgijn Bartholomeus Cornelis Weijgandt, paardemeester (veearts) Cornelis de Bever en de landbouwers Isaac Brevet, Isaac Claerbaut, Jacob van Houte, Abraham van Houwe, Cornelis Pleijte en timmerman Pieter Degen. Zoals bijna elk leesgezelschap kreeg ook dit genootschap een zinspreuk, zij het pas naar aanleiding van het tienjarig bestaan toen in de vergadering van 6 februari 1793 als devies werd gekozen: 'Ik lees met lust en met verstand tot eer van God en van Cadzand', welk devies in 1796 gewijzigd werd in 'Men
....Ds. Dirk Cornelis van Voorst ....leest tot vorming van het verstand tot eer van God en van Cadzand'.
Het gezelschap bestond uit maximaal twaalf gewone leden die afkomstig moesten zijn uit Cadzand en maximaal vier buitengewone leden die zowel in Cadzand als Retranchement, Zuidzande en Nieuwvliet mochten wonen. De buitengewone leden zijn Isaac Porrey en Pieter van der Ginst uit Retranchement. De meeste leden van het gezelschap zijn 20-30 jaar.

Het tweede leesgezelschap in Cadzand werd opgericht in juli 1785 door, alweer, de Waalse predikant Jean André Anosi, zijn collega Jan van Dasselaar van de Nederduits gereformeerde gemeente, wagenmaker Isaac Dirks, smid Jacob Clicquennoi, molenaar Abraham Brevet fs. Isaac, schoolmeester/landbouwer Willem Pleijte jr., de landbouwers Abraham Brevet fs. Abr., Abraham Cappon, Jannis Cappon jr., Jannis Butin, winkelier Abraham van Melle uit Cadzand en Josias Cornelis Moens chirurgijn uit Zuidzande. De zinspreuk van het tweede genootschap luidde: 'Door vlijtig lezen wordt m'onderwezen'.
Dit genootschap noemde een maximum van twee buitengewone leden, waarvan alleen vermeld werd dat ze niet in Cadzand woonachtig mochten zijn. Het gezelschap telde twee buitengewone leden uit Retranchement, n.1. Levinus Basting en Martin Benjamin Roder en vijf uit Zuidzande: Abraham de Hullu fil. Nic, ....reglement 1e leesgezelschap voornoemde Josias Cornelis Moens, Willem van de Riviere, Jannes Weijkman en Jurriaan van Luinen Hubert.
De leden van dit gezelschap zijn tussen 31 en 40 jaar. Voor beide leesgezelschappen geldt dat de meerderheid van de leden jonger is dan 50 jaar.
Dit tweede leesgezelschap is waarschijnlijk puur opgericht omdat het eerste zijn maximum aantal leden had bereikt en er genoeg belangstelling bestond om er nog één in het leven te roepen.

Bijeenkomsten van de leden vonden maandelijks plaats van twee tot vijf uur 's middags, in de zomer bij de buitengewone leden en in de winter bij de gewone uit Cadzand. De klok van de kerktoren van Cadzand was maatgevend bij de bepaling van de boete ( 2 of 3 stuivers) voor laatkomers, „maar indien de klok niet slaat, sal men zoo naauw op de tijd niet letten".
Het was gebruikelijk dat het lid bij wie de vergadering bijeenkwam een voorstel deed voor de aanschaf van boeken, tot een maximum bedrag. Dit was volgens het reglement uit 1796 vier gulden voor het oudste gezelschap. In het jongste mocht in 1785 voor twee gulden per bijeenkomst besteed worden. Het was mogelijk dat twee of meer personen hun beurten combineerden om op deze manier duurdere boeken te kunnen aanschaffen.
Om de keuze van de leden uit het boekenaanbod te vergemakkelijken waren beide leesgezelschappen geabonneerd
........... reglement 2e leesgezelschap....................... op het tijdschrift 'Algemene Vaderlandsche Letteroefeningen'. In dit blad, werden boeken gerecenseerd en prijzen en uitgevers van publikaties vermeld. Er mochten alleen nieuwe 'Nederduitsche' boeken opgegeven worden, die uitsluitend bij Blussé in Dordrecht besteld werden.
Er was een duidelijke voorkeur voor godgeleerde en historische werken. Reisbeschrijvingen, romans en verhalen en boeken over natuurwetenschappen, waartoe ook werken over landbouw en biologie gerekend werden, waren eveneens in trek. Opvallend is verder de belangstelling voor kinderboeken. De minste belangstelling ging uit naar rechtsgeleerdheid en geneeskunde.

Elk voorjaar werden de gelezen boeken ter verkoop aan de leden aangeboden. Nadat alle boeken waren verkocht volgde nog een gezellig samenzijn, waarbij volgens het reglement maximaal zes flessen wijn genuttigd mochten worden.

Vanaf 1795 waren er contacten tussen de beide Cadzandse leesgezelschappen. In dat jaar nam het jongste gezelschap enige boeken over van het andere voor de helft van de prijs. In de jaren 1798-1800 vond een gezamenlijke boekenverkoop plaats. Geleidelijk aan groeiden beide genootschappen steeds meer naar elkaar toe. Na het overlijden van de tweede praeses van het leesgezelschap opgericht in 1785, Jacob de Hullu fs. Nic, op 1 december 1804 besloot dit gezelschap geen opvolger te benoemen en ook geen secretaris, maar de praeses te verzoeken om met de praeses van het oudste gezelschap te gaan overleggen over gezamenlijke problemen.

Nadat een eerste poging tot fusie in januari 1805 mislukte, werden een maand later beide gezelschappen op 4 april 1805 verenigd tot het leesgezelschap 'Door vlijtig lezen wordt m'onderwezen'. Het devies van dit nieuwe gezelschap luidde 'Daar vrede bloeid ook vriendschap groeid'. De doelstelling was „het genootschap alleenlijk ingerigt zijnde ter aankweeking van vriendschap, kunde en beschaafdheijd".
Dat motto geeft duidelijk aan dat de leden tot doel hadden zich te ontwikkelen door het lezen van boeken en tijdschriften. Uit de titels van de boeken die tussen 1783 en 1805 werden aangeschaft, blijkt dat werken over theologie (40%), geschiedenis (20%) en reisbeschrijvingen (7%) het meest in trek waren.

Het leesgezelschap was ook een soort sociëteit. Men kwam een tiental keer per jaar bijeen om over de gelezen boeken te praten en ook voor de gezelligheid. Lezingen werden niet gehouden. Het ledenbestand bestond in Cadzand voor zowat de helft uit grote boeren, aangevuld met notabelen als de dominee, de chirurgijn, de belastingontvanger en een aantal gegoede ambachtslieden.

Iemand die lid wilde worden, diende zich mondeling of schriftelijk tot de praeses/thesaurier te wenden, de enige die nieuwe leden kon voordragen. Nieuwe leden moesten via stemming door een meerderheid van minimaal tweederde van de ter vergadering aanwezige leden gekozen worden.

Natuurlijk sloten ook leden van de familie Erasmus zich bij het leesgezelschap aan. Jannis Erasmus werd kort na 1805 lid. Zijn zoon Adriaan Erasmus werd op 9 februari 1833 voorgedragen door smid Marinus Clicquennoi en na ballotage met algemene stemmen aanvaard als lid.
...............handtekening leden van het 2e leesgezelschap...................Op dezelfde vergadering nam ook zoon Jannis jr. zitting als lid. Een erg actief lid lijkt Adriaan Erasmus niet te zijn geweest en in 1852 zegde hij op. In zijn kantoor bevonden zich in 1843 twee bijbels en 26 boeken. Tussen 1835 en 1852 kocht hij een boek over De heldenmoed van Michiel Adriaansz. de Ruyter, een beschrijving van een reis om de wereld door P. Troost, De God des Hemels door J.P. Hazebroek en Samenspraken van Desiderius Erasmus. Theologie, geschiedenis en reisbeschrijvingen; Adriaan Erasmus voldeed perfect aan het profiel van het gemiddelde lid van het leesgezelschap.
Jacob de Hullu Nicolaasz (1764-1804), die op een boerderij bij Cadzand woonde, niet ver van die van de familie Erasmus, liet bij zijn overlijden een bibliotheek van 240 banden na.

Voor predikanten waren de bijeenkomsten van zo'n genootschap een ideale manier om goede relaties op te bouwen met de dorpselite en de burgerij. De opkomst van de burgerij is in de leesgezelschappen duidelijk waarneembaar door de lidmaatschappen van allerlei ambachtslieden zoals de metselaar, de timmerman, de smid, de wagenmaker, de kleermaker en de slager.
De meeste leden waren lidmaat van de Nederduits gereformeerde of de Waalse gemeente. Een uitzondering vormden een tweetal Lutheranen en mogelijk waren één of twee leden afkomstig uit een Joodse gemeente. Kennelijk was een andere geloofsovertuiging geen belemmering om lid te worden van één van de leesgezelschappen
Protestantse kinderen konden overigens meestal vroeg lezen en schrijven. Enerzijds door de bemoeienissen van de schoolmeester, maar ook door de ouders die de kinderen zo snel mogelijk uit de bijbel wilden leren lezen in verband met de in die dagen veel beoefende bijbelstudie.

Het is niet bekend wanneer het leesgezelschap uiteindelijk is opgeheven. De meest recente notulen dateren uit 1927.

Bron: A.F. Franken, Middelburg