Onderwijs in Kadzand

Zoals in de 18e en 19e eeuw op het platteland gebruikelijk, is er in het dorp geen echt schoolgebouw. De schoolmeester houdt school aan huis. In 1833 wordt in Cadzand het eerste schoolhuis in gebruik genomen.

De eerste bekende schoolmeester in Cadzand is Willem Pleijte. Hij blijft dat tot zijn dood in 1783. Zijn zoon Willem Pleijte jr. volgt hem op. In 1796 begint Mattheus Verstelle (1768-1837) uit Meliskerke als schoolmeester in Cadzand. Ook hij blijft dat tot zijn dood. Zijn schoonzoon Samuel de Back is in die periode enkele jaren tot aan 1840 ondermeester.

In 1815 wordt de onderwijswet van 1806 in Zeeuws-Vlaanderen van kracht. Schoolmeesters moeten bij de schoolopziener een "bewijs van algemeene toelating" ophalen. Als noodmaatregel worden deze bewijzen zonder meer verstrekt. Er bestaan 4 rangen:

- Vierde rang - Lesgeven in lezen, schrijven en de beginselen van het rekenen.
- Derde rang - De bevoegdheid voor meer uitgebreid rekenonderwijs en voor het onderwijs in de taalkunde.
- Tweede rang - uitgebreid rekenonderwijs, onderwijs in de taalkunde, aardrijkskunde en geschiedenis.
- Eerste rang - Toegekend aan onderwijzers die zich ook in de wis- en natuurkunde hebben bekwaamd.

Bovendien moeten ze "uitmunten in beschaafdheid des verstands". Het zijn maar enkele schoolmeesters die zover komen.
De schoolmeesters ontvangen van de gemeente een vaste vergoeding. De meesten verdienen er als voorlezer, voorzanger, klokkensteller en grafdelver nog wat bij. Het belangrijkste deel van hun inkomen komt van de ouders, die de schoolmeester betalen voor het onderwijs aan hun kinderen. Het is de gewoonte dat voor de "aan te leren wetenschappen" aparte tarieven gelden. Voor het leren van de letters en het spellen wordt het minst gevraagd, wat meer voor het leren lezen, nog iets meer als er ook schrijfonderwijs bijkomt, terwijl de rekenlessen het duurst zijn. Veel ouders halen hun kinderen van school, zodra ze kunnen lezen en schrijven. Er zijn zelfs scholen waar kinderen per dag verschijnen, "voor een oortje of een duit". Van regelmatig schoolbezoek is geen sprake. Tussen april en november helpen de meeste kinderen hun ouders op het veld.

foto: De leesmachine ontworpen door P.J. Prinsen

Vanaf 1820 heeft vooral schoolopziener, burgemeester van Oostburg (1821-1846) en geneesheer Hendrik Antoni Callenfels (1791-1860) (rechts) uit Oostburg zich ingezet voor degelijk onderwijs in zijn district. Het feit dat in Zeeland de 'H' óf niet wordt uitgesproken óf wordt verwisseld met de 'G', is voor het leesonderwijs een probleem. “Niemand dan die in Zeeland onderwijs gegeven heeft, kan zich een denkbeeld vormen aan hoeveel moeyelijkheden het onderhevig is, de jeugd aldaar de uitspraak der H te leeren”. Callenfels is voorstander van de leesboekjes van P. Meesters uit Sluis, waarin “niet dieper in de taal wordt gedrongen dan om vrij zuiver te schrijven noodig is, terwijl alle onnoodige taalgeleerdheid is vermeden”.

Schoolopziener Callenfels was deftig en hij sprak ook deftig, dus niet Zeeuws. Hij was tevens arts en werd in 1821 burgemeester van Oostburg. Dr. Callenfels was beminnelijk, bekeek het werk van de leerlingen met aandacht en stelde ze vragen, waarop ze zo goed mogelijk trachtten te antwoorden. Meester en kinderen zetten hun beste beentje voor. Geen wonder dat ze om de schoolopziener gunstig te stemmen, hem graag met een welkomstlied begroetten. Callenfels waardeerde dit ten zeerste.

WELKOMSTGROET aan den schoolopziener bij het gewone schoolbezoek

Zijt welkom brave kindervriend,
Zijt welkom in dit uur
Elks hart smacht naar het onderzoek
En wacht u reeds met vuur.

Niet slechts als leeraar, lieve vriend,
Zijt gij der kind'ren vreugd
Maar ook als trouw bewonderaar
Van 't heil van Neêrlands jeugd.

Heil 't onderwijs waaraan g' als steun
Reeds lang zoo nuttig waart,
Dat onder heel zijn vriendenrij
Met wellust op u staart.

Versmaad dus onze hulde niet,
Hoe zwak en koel die zij;
Wat onze zwakke taal ontbreekt,
Dat voeg' uw hart erbij.

Leef lang nog voor het onderwijs,
Smaak altijd 't edelst lot,
En wat gij deed voor kerk en jeugd,
Zij eens uw kroon bij God.

Na de verwelkoming volgt een toespraak van de schoolopziener. Daarna volgen enige "voorlezingen" door verdienstelijke onderwijzers. Tussen de bedrijven door wordt er gegeten en roken de meesters een pijpje, en nooit ontbreekt de samenzang. De teksten van de meestal driestemmig gezongen liederen zijn vervuld van ernst, plichtsbesef en broederliefde:

"Wie strikt hier onze vriendschapsband
Tot nut der lieve jeugd,
Wie toont ons wand'lend hand aan hand
Op 't pad van eer en deugd
Het heilrijk uitzigt in 't ver verschiet?
O, vrienden! Is het de eendragt niet?"

"De teed're plant die welig groeit
In spijt van storm en vlagen,
Zal wel gekweekt, geënt, besnoeid,
Eens beter vruchten dragen.
Zoo wordt de jeugd door wijs beleid
Veredeld voor d'onsterfelijkheid".

De onderwijswet van 1806 verplichtte het bevoegd schoolbestuur voor deugdelijk en geregeld onderwijs voor de armen te zorgen. In de ommeloper van 1803 staat een perceel van 225 roeden beschreven, waarvan de opbrengst bestemd was voor de armen van Cadzand. De schenker was Simon Vergul.

Rond 1820 kon worden geconstateerd dat het Zeeuwse armenonderwijs voor het grootste deel in handen van de overheid was gekomen. Op de dorpsscholen op het platteland zaten de kinderen van armen en beter gesitueerden door en naast elkaar in de klaslokalen. Er werd wel een apart schoolreglement voor de kinderen van minvermogenden opgesteld. In West Zeeuws-Vlaanderen kon de arbeidende klasse door het kwijnende bestaan van de landbouw, waardoor zij werkloos en minvermogend werd, haar kinderen geen genoegzaam onderwijs laten volgen.
In Cadzand neemt in 1822 de nieuwe predikant Lammers van Toorenburg het initiatief om in deze lacune te voorzien. Een commissie uit het plaatselijk bestuur werkt met de districtscommisaris en de schoolopziener Hendrik Callenfels een plan uit, waarbij de kerkenraad en het armbestuur een overeenkomst met de onderwijzer sluiten voor de inrichting van het onderwijs aan kinderen van minvermogenden. Er gaan in Cadzand de laatste jaren slechts 30 kinderen naar school. Na de aansporing en voorlichting werden door "schout, kerkeraad en armbestuur aangenomen 26 kinderen en personen, om, voor een geheel, of voor de helft van het jaar ter school te gaan." De leeftijd varieert van 7 tot 19 jaar. De oudsten van hen komen in aanmerking voor de avondschool, de anderen voor de dagschool.
Op 3 januari 1823 vindt door dominee Lammers en meester Verstelle een feestelijke verwelkoming van de leerlingen met hun ouders plaats.

In het “Reglement voor den onderwijzer der jeugd in de gemeente van Kadzand ter zake van het onderwijs aan kinderen van minvermogenden” lezen wij dat de onderwijzer jaarlijks uit het diaconiefonds een beloning van ƒ 30,— boven het gebruikelijke salaris zal genieten. Hij zal daarvoor gratis onderwijs geven aan acht leerlingen die door de kerkenraad zullen worden aangewezen. Voor elk kind boven het getal van acht zal de onderwijzer maandelijks ƒ 0,25 genieten. Drie kinderen op de avondschool zullen tellen voor twee scholieren. Schoolbenodigdheden zoals boeken, papier, leien, griffels, vuur, licht zullen gratis zijn. Aan al deze leerlingen zal hetzelfde onderwezen worden als aan de andere scholieren. Behalve de schoolopziener zullen ook de predikant en de kerkenraad toezicht houden op de vorderingen van de leerlingen.

In 1829 zijn de in Cadzand geldende schoolgelden voor het onderwijs in de laagste, middelste en hoogste schoolklas ƒ 0,37, ƒ 0,59 en ƒ 1,-per maand.

In 1838 worden de scholen in Zeeuwsch-Vlaanderen bezocht door de landelijk inspecteur, H. Wijnbeek. Zijn rapport over de lagere school in Cadzand, met schoolmeester A. Meskes, luidt:
Hier werd het meest werk gemaakt van het schrijven en het rekenen, vooral uit het hoofd. Het overige was middelmatig. Het zingen verdiende dien naam niet, maar dien van schreeuwen."

Schoolmeester Adam Meskes was de opvolger van Mattheus Verstelle. Ondermeester Samuel de Back, de schoonzoon van meester Verstelle, dacht de opvolger te worden. Als (onder-)meester 3e rang had hij daarvoor te weinig kwaliteiten.