ARMOEDE

Als gevolg van de aardappelmisoogsten in 1846/1847/1848 wordt er honger geleden. Bedelend en soms ook stelend vormen de getroffenen met name voor de rijkere boeren een ware plaag.

Citaat uit de Zierikzeesche Courant van 5 juli 1847:
“Als een bewijs der verregaande armoede, welke hier tegenwoordig, midden in den zomer - anders het beste jaargetijde voor de arbeidende klasse - nog heerscht, kan dienen, dat te Sluis, des nachts, buiten de stad, eene wacht gaan moet, ten einde te verhinderen, dat de nog nauwelijks gerijpte aardappelen door de hongerige menigte uit het veld gehaald worden. Hoe verschrikkelijk moeten niet die ongelukkigen lijden; een kille huivering bevangt, wanneer wij daar aan denken.”

De autoriteiten reageren zoals ze ook in vroegere tijd deden: enerzijds door het instellen van burgerwachten die samen met de veldwachters en de marechaussees een oogje in het zeil moesten houden, anderzijds door het verstrekken van extra bedeling. De armoede zelf wordt er uiteraard niet door verminderd. De bedeling was al geregeld in de armenwet van 1818, maar door ingewikkelde procedures, gebaseerd op een nog onvolledige bevolkingsadministratie, komt daar weinig van terecht. Bovendien houdt de gemeente in eerste instantie de Kerk voor verantwoordelijk. In de meeste gevallen is de plaatselijke Kerk zelf armlastig.

In 1854 en 1912 zal een meer gedetailleerde armenwet worden aangenomen. Bedeling in goederen gaf de voorkeur boven bedeling in geld. Uit het onderzoek in 1851 van historicus J. de Bos Kemper blijkt namelijk dat “vroege huwelijken zonder middel van bestaan, onzedelijkheid en misbruik van sterken drank, gebrek aan lichaamskrachten, gebrek aan spaarzaamheid en gebrek aan opvoeding” de belangrijkste oorzaken van armoede zijn.
Hoe de armen leefden beschrijft dokter J.A. Geill, geneesheer en armendokter, die een treffende beschrijving gaf van het interieur van een arbeiderswoning:
“Gij treedt eene ruimte binnen, welke ternauwernood groot genoeg is voor één persoon. Gij ziet daar twee bedsteden of slaaphokken, waarin zeven personen eenen verkwikkenden slaap moeten ontvangen. Er is eene spinde tot berging van het tafelgereedschap, brood, aardappelen en water. Op den steenen of leijen vloer vindt gij ook eene wieg. Een soort tafel, wat stoelen of banken, soms nog eene kast of kist, voor het niet alledaagsche, een klokje aan de muur, de geschiedenis van Jozef of den verlorene zoon in vier gedrochtelijke taferelen, eenige kommetjes op den schoorsteen: ziedaar het ameublement dier woning.”

Ook de voeding kon de arts maar weinig bekoren: “Op een grooten aarden schotel ligt een berg aardappelen uitgestort, die u soms vrij brutaal met zwarte oogen liggen aantekijken. Gij vindt daarbij ook de dito sauspan, welks inhoud een mengsel is van bierazijn en kattenburger sop, soms met enkele koraaltjes vet daarop drijvende. Daarnaast nog een kommetje met zout, om die flaauwe spijs wat hartelijker te doen smaken.”