Voorwoord

Boerenzoon Wouter de Smidt trok zich het lot aan van de arme landarbeiders in Nieuwvliet en later ook in Cadzand. Steun van de Nederduits-Hervormde kerk konden de landarbeiders niet verwachten. In deze gemeenschap waren toen de rijke boeren toonaangevend. De arbeiders zagen zij niet staan, met als gevolg dat deze de kerkdiensten verwaarloosden.
De Smidt richtte de Vrije Evangelische Gemeente op in Nieuwvliet en hielp vauit deze organisatie de arme families. De door De Smidt opgerichtte jeugdvereniging 'Eben Haëzer' is een onderdeel van de VEG. Vanuit Cadzand richtte hij o.a. de muziekvereniging 'Excelsior', het koor 'Looft den Heer' en de gymnastiekvereniging op. Met deze activiteiten versterkte hij de saamhorigheid onder de (arme) dorpelingen, wat hard nodig was.

Het woord 'Vrije' in de naam van de Vrije Evangelische Gemeenten duidt niet op een vrijzinnige richting, maar op een democratische organisatie, dat wil zeggen dat elke Gemeente binnen het kader van de Heilige Schrift en de Apostolische Geloofsbelijdenis zelf zijn accenten mag leggen en niet is gebonden aan geloofsuitspraken van een synode. Dat heeft wel tot gevolg dat de voorganger in zo'n Gemeente een dominante rol speelt om zoveel mogelijk steun onder de mannelijke gemeenteleden te behouden. De Gereformeerde Kerk, hoewel ook democratisch, is meer gestructureerd.
(bron: dr. Ineke Jonker-de Putter)


Geschiedenis van Wouter De Smidt, stichter van de Vrij Evangelische Gemeente

Bron: (uitgave 1980) Prof. Dr. I. C. van Houte

WOUTER De Smidt geboren 20 november 1838 te Nieuwvliet en overleden 25 juli 1920 te Cadzand.

Inleiding
In 1876 verhuisde een boerenzoon van Nieuwvliet naar Cadzand. Hij was daar in het huwelijk getreden met de weduwe Catholijntje Maria Clicquennoi (1840-1923), die daar een winkel dreef. Het echtpaar kreeg 4 kinderen, Adriana (1878- ), Janna Magdalena (1880- 1880), Abraham (1881-1952) en Wouter jr. (1885-1986).
Dit voorval zou niet waard zijn vermeld te worden als het niet het begin was geweest van een stukje dorpshistorie.
Het betreft de verhuizing van Wouter De Smidt (1838-1920), geboren en opgegroeid op een boerderij in Nieuwvliet in de omgeving van de Nolle, een ondergelopen polder (Nieuwenhovenpolder) oostwaarts van Cadzand en te vergelijken met het Zwin dat zich ten westen van dit dorp bevindt. De vestiging in Cadzand betekende voor deze De Smidt de voortzetting van zijn arbeid die hij in Nieuwvliet en in Groede als prediker-evangelist begonnen was.

Het gaat in dit artikel over die voortgezette arbeid in Cadzand, echter niet zo zeer om zijn evangeliserende werkzaamheden als wel om de bijzondere en velerlei activiteiten die hij aan deze verkondigende arbeid verbond. Daardoor dient opgemerkt te worden dat de tweeërlei werkzaamheden wel te onderscheiden maar niet te scheiden zijn. Om deze reden zal in dit artikel, waar dit noodzakelijk is, op deze onscheidbaarheid gewezen moeten worden, maar aangezien schrijver dezes als niet-theoloog zich van godsdienstige tegenstellingen dient te onthouden, zal hij zich daarin zoveel als mogelijk is beperken en zich bij uitstek richten op de maatschappelijke en culturele waarde van het leven en het werk van De Smidt.

Iets over zijn Nieuwvlietse jaren
Het leven van de jonge De Smidt voltrok zich in zijn jeugd op gelijke wijze als die van zijn tijdgenoten: eerst lagere school onderwijs, ook al deelnemend aan het leven en werken op een boerderij en na zijn schooltijd medearbeider op die boerderij. Er was echter één omstandigheid die op zijn jonge leven een bijzondere stempel drukte: de jeugdige Wouter had een zwakke gezondheid als gevolg van voortdurend terugkerende koortsen zoals die toentertijd veelvuldig in Zeeland voorkwamen. Dit had tot gevolg dat hij zich bedreigd gevoelde door een vroegtijdige dood en zich al vroeg, ter onderdrukking van de nood waarin hij zich bevond, met godsdienstige vragen bezighield en daarbij steun zocht in het lezen van de Bijbel. Zijn ouders, hoewel zij het laatste niet gewoon waren, verzetten zich daartegen niet. Zij gaven zelfs gehoor aan zijn verzoek om na de maaltijd gezamenlijk een Bijbelgedeelte te lezen. Over wat door sommigen wordt gezegd over de ontsteltenis die de jonge De Smidt overviel op een kermis te Schoondijke toen hij getuige was van de plotselinge dood van een 15-jarig meisje, waardoor de bedreiging waaronder hij leed aanmerkelijk groter werd, durf ik geen oordeel uit te spreken, voornamelijk omdat door anderen hierover gezwegen wordt.

De onbekende De Smidt
Wie over Wouter De Smidt wat schrijven wil komt te staan voor een grote moeilijkheid. De Smidt leeft voort in datgene wat hij aan instellingen tot stand heeft gebracht. Die zijn op dit ogenblik voor een deel nog aanwezig. Maar over de wijze waarop hij bedoelde instellingen in het leven riep en hoe hij leefde en werkte heeft hij vrijwel niets nagelaten. Zodoende kan slechts afgegaan worden op mededelingen, veelal uit de tweede of derde hand en daardoor niet altijd voldoende betrouwbaar en volledig. Dit artikel is gebaseerd op de volgende bronnen:
1. De herinneringen van zijn jongste zoon, Wouter De Smidt jr.(1885-1986);
2. Historisch overzicht van het ontstaan en de groei der Christelijk Evangelische Gemeente te Nieuwvliet, samengesteld door I. M. de Bruijne in 1947 naar aanleiding van het toen aanstaande 70-jarig bestaan van de Gemeente;
3. Een kleine, niet uitgegeven studie van ds. G. Siebert te Apeldoorn over het leven en het werk van De Smidt;
4. Eigen herinneringen van de schrijver dezes, stammende uit de tijd toen hij als overbuurjongen dagelijks getuige was van de rusteloze arbeid van deze bijzondere Zeeuws-Vlaming.

Wat zijn de vermelde bronnen waard?
1. De herinneringen van Wouter De Smidt jr. zijn vanzelfsprekend van de meeste waarde. Maar in gesprekken met hem werd duidelijk, dat hij slechts in beperkte mate informatie kon geven. Dat waren de inlichtingen over de maatschappelijke en culturele arbeid van zijn vader. De Smidt heeft geen enkel geschrift of aantekening nagelaten over preek, redevoering of toespraak, waaruit iets van zijn denkbeelden af te leiden zou zijn. Hij sprak voor de vuist weg. Eerst las hij een hoofdstuk, dan koos hij daaruit een tekst, vervolgens greep hij een voorbeeld uit de natuur of uit het dagelijks leven. Dat samen bracht hij dan in het grote verband van zijn overtuiging.
2. Het voorwoord van I. M. de Bruijne bevat een beschrijving van de ontwikkeling van de kerkelijke Gemeente, waar uit blijkt hoe nauw de verbondenheid was tussen de godsdienstige gezindheid en de daarmee verbonden activiteiten enerzijds, en de maatschappelijke en culturele werkzaamheden anderzijds. Wat dat betreft merkte De Smidt jr. op: De godzaligheid is tot alle dingen nut. (1 Tim.4:8).
3. De kleine studie van ds. Siebert heeft overeenkomst met het artikel 'Historisch Overzicht' van De Bruijne. Er zijn informaties aan toegevoegd uit gesprekken die hij met volgelingen van De Smidt gevoerd heeft. De Smidt zou in zijn eerste jaren in Cadzand een bewaarschool hebben opgericht, leeslessen hebben gegeven of hebben doen geven, naai- en breionderwijs hebben verstrekt aan de vrouwen van de vrouwenvereniging. Daarover is bij familie en volgelingen van De Smidt geen bevestiging te krijgen. Ds. Siebert geeft te kennen dat zijn geschrift daardoor niet als een scriptie kon worden ingeleverd. Bij navraag aan ds. Siebert wie zijn zegslieden geweest waren en waarbij ik de naam noemde van mevrouw C. Cappon-de Bruijne, een zuster van de hierboven genoemde I. M. de Bruijne en beiden kinderen van een der eerste volgelingen van Wouter De Smidt, heeft ds. Siebert mij twee brieven doen toekomen, waarvan de ene ondertekend is met C. C. d. B., de initialen van voormelde mevrouw Cappon en de andere met: „Een van de oude garde." Beide schrijvers bevestigen in hun brieven wat in eerste instantie niet in voldoende mate betrouwbaar gevonden leek. De Smidt blijkt dus al heel vroeg na zijn aankomst in Cadzand met onderscheiden maatschappelijke en culturele werkzaamheden begonnen.
4. Dan zijn er de herinneringen van schrijver dezes. Herinneringen, in het bijzonder die van kinderen, dragen het kenmerk van een vertekening van de werkelijkheid. Ze werden bevestigd en verbeterd door De Smidt jr.

Een terugblik naar de Nieuwvlietse jaren
De jonge Wouter de Smidt richtte een jongelingsvereniging op. Men besprak daarin wat men over mens en wereld dacht in verband met de inhoud van de Bijbel. Ook liet men van de 'overkant' predikanten overkomen, die diensten leidden in de woonkamers van geloofsgenoten in Groede. Toen dit niet meer mogelijk bleek werd Wouter De Smidt de eerste voorganger uit eigen kring. Hieruit blijkt hoe groot de geestdrift was van deze jonge evangelist en welk een werkkracht hij naast zijn boerenarbeid ontplooide ter verspreiding van zijn denkbeelden.
Zo trok hij met een vriend al vroeg vanuit Nieuwvliet naar de Cadzandse duinen om daar onder de bewoners zijn evangeliserende arbeid te verrichten. Was het donker of mistig en dus gevaarlijk door de Nolle de weg te vinden, dan werd een ezel meegenomen aan wiens staart zij zich vasthielden: het dier ontweek de slikken en de gevaarlijke killen en kuilen.

De Smidt's komst in Cadzand
Men was in Cadzand in het algemeen niet blij met de komst van deze nieuwe burger. Men had gehoord van zijn prediking in Groede, mogelijk ook in Nieuwvliet, en van zijn huisbezoeken bij bewoners van de Cadzandse duinen. Wat was dat voor dominee die geen dominee was? Toch maar een gewone boerenjongen uit de Nieuwenhovenpolder? En dan die huisbezoeken? Wat was die Wouter hier van plan? Nu, dat bleek spoedig, want De Smidt zette zijn arbeid onverminderd, eerder krachtdadiger, voort. En velen, o.a., de plaatselijke predikant voorop, keerden zich openlijk van hem af. Onvriendelijk werd over hem gesproken en spoedig ook over hen die zich bij hem aansloten.

De bevolking van Cadzand
Teneinde wederzijdse betrekkingen enigszins te kunnen begrijpen, is het nodig over Cadzand met zijn ruim duizend inwoners enige mededelingen te doen, Slechts enige, want het zou aantrekkelijk zijn een uitvoerige sociografische verhandeling op te stellen over een dergelijk kleine dorpsgemeente met een bevolking, waarvan iedereen de ander kent en - zoals in dit geval - de dorpelingen onderling ver van elkaar afstonden, en de onderscheiden bevolkingsgroepen overduidelijk door onderlinge verschillen van elkaar gescheiden waren.
Cadzand was omstreeks de eeuwwisseling (1900), een agrarische gemeente met vrij ver uiteenleggende gemeentegrenzen.
Er waren duidelijk drie groepen van bewoners te onderscheiden:
1. De bewoners der boerderijen en hun stillevende families in het dorp;
2. De dorpsbewoners (de zgn. middenstand) met enkele ambtenaren;
3. De landarbeiders.

De algemene ontwikkeling
Het aantal kinderen was met betrekking tot het aantal inwoners groot en beliep omstreeks 1900 steeds ruim 200. De grote gezinnen vond men voornamelijk onder de landarbeiders en onder de duinbewoners.
De schoolontwikkeling was gemiddeld genomen laag. Dat had de volgende oorzaken:
1. De leerplichtwet werd eerst in 1901 ingevoerd. Daarvóór was er een zeer groot schoolverzuim en wel in de jaarlijkse periode die lag tussen het poten van de aardappelen en het rooien daarvan;
2. Na de invoering van de leerplicht bleef het verzuim bestaan door de verstrekking van uitgebreide landbouwverloven;
3. Weliswaar was in 1874 de wet tegen de kinderarbeid tot stand gekomen, maar de hand werd er nauwelijks aan gehouden;
4. Er was in het algemeen weinig belangstelling voor een uitbreiding van de lagere schoolontwikkeling: “met al dat geleer doe je niets.”; zo vond de ambachtschool in Oostburg in de eerste jaren algemene miskenning;
5. Er was weinig lectuur: slechts een provinciale krant werd door een klein deel der bevolking gelezen; een 'grote' krant door niemand;
6. De school die te kampen had met de moeilijkheid van een sterk wisselende bevolking door het grote schoolverzuim, beschikte door zuinigheid van het gemeentebestuur over veel te weinig leesstof. Boeken werden niet of nauwelijks aangetroffen, ook niet bij hen waar men het zou verwachten. Als gevolg hiervan was het analfabetisme aanzienlijk.

Over het verschijnsel hafalfabetisme kan getwist worden: iemand die tot weinig meer in staat is dan zijn naam te schrijven kan zowel analfabeet als halfanalfabeet genoemd worden. Hoe groot zou in Cadzand het aantal ongeletterden geweest zijn ruim honderd jaar geleden? Dat is op het tijdstip dat Wouter De Smidt daar zijn intree deed. In hoeverre hing deze ontwikkelingsachterstand samen met de aanwezige welvaart der bevolking? Het is bekend dat de inkomsten der landarbeiders duidelijk aan de lage kant waren, ondanks de nevenverdiensten van vrouw en kinderen. Men zegt dat er armoede geleden werd. Er was weliswaar bescherming in kleding en beschutting in behuizing, maar er was wel bij een deel van de bevolking een doorlopend tekort aan produkten net boven de eerste levensbehoeften. De ontvolking door de trek naar Amerika zegt alles. Grand Rapids en Rochester waren dagelijks te horen woorden.
Een in ieder opzicht respectabel werkman, vader van vier kinderen, gaf in kleine kring te kennen: “We hebben geen gebrek, maar dat we in de winter onze kinderen moeten toedekken met aardappelzakken is toch niet goed.”.

Het culturele aspect
Zo omstreeks 1900 was er sprake van verstarring in de gemeente Cadzand. Er was sprake van een cultuurarme gemeente.
Het was jammer indertijd te moeten zien dat de beplantingen der Cadzandse dijken met hun 2 tot 3-rijige wilgen- en populierentronken door ouderdom verdwenen en niet vervangen werden door een nieuwe aanplant. “Het werd te duur”, was het verweer. De waardering van het landschapsschoon bleek lager te zijn dan die van het geld waarmee deze schoonheid in stand gehouden kon worden.
De huizen waren minder onregelmatig dan de wijze waarop ze waren neergezet: men had zich in de bochtige straten weinig om een rooilijn bekommerd. Toen de oude pastorie vervangen werd door een nieuwe, kwam die even scheef voor de Mariastraat te liggen als de voorgaande, waardoor het deze straat aan een voldoening gevende afsluiting ontbrak.
In 1869 werd de begraafplaats om de kerk vervangen door een nieuwe. Het oude kerkhof om de kerk werd voor tuingrond bestemd. En dertig jaar later nog werden ieder voorjaar opnieuw beenderen van ouders en voorouders omhoog gespit, bijeen geworpen en - zo men wil - als een memento mori -gedenk te sterven - de zondagse kerkgangers eerst vóór en later ná de preek in herinnering gebracht. Totdat een kerkenraadslid de geesten wakker schudde en een beplanting werd aangebracht.
De vuilnisbelt werd enige malen verplaatst maar bleef in de nabijheid van de woningen en lag jarenlang slechts door een weg gescheiden bij de begraafplaats. De rook van de verbrande vuilnis die soms door de heersende zeewind over de graven trok, kon niet als wierook worden aangemerkt.
Het zijn slechts voorbeelden van wat hiervoor werd uitgesproken over een cultuurarme gemeente.

De duinbewoners
Het waren landarbeiders, mensen betrokken bij de zeewering en het reddingwezen, een paar vissers en anderen die hun werk vonden bij het haventje (dus na 1902). Het was een opmerkelijke groep mensen, vrijer, onafhankelijker, slagvaardig in woord en daad, voor niets en niemand bang, ruwer soms, ongemakkelijk als men hen te na kwam, maar goedhartig ook als men het goede woord en de juiste toon te vinden wist. Was het de invloed van de zee, die hen anders gekleed deed gaan en op hun zeden en gewoonten een eigen stempel drukte? Hun verhouding tot het Gemeentelijke en Kerkelijke leven was uiterst zwak te noemen. Er was ontzag voor de “Duuneknikkers” zoals de andere gemeentenaren, inzonderheid de dorpelingen, hen noemden. En dat woord zegt genoeg over de afstand die hen van diezelfde gemeentenaren scheidde. Overigens was er ook eerder minachting dan ontzag van de duinbewoners voor de dorpelingen.
Met deze enkele lijnen dienden de gemeentelijke verhoudingen en houdingen getekend te worden.

Tegen die achtergrond zijn het leven en het werk van Wouter De Smidt te plaatsen.

De kerk
Als zondags het grote kerkgebouw geheel gevuld was, wat toentertijd voortkwam uit een getrouw kerkbezoek, zowel uit gewoonte als uit behoefte, zat de gegoede boerenstand in een wijde boog geschaard rond het spreekgestoelte.
Daarachter zat de burgerij, met op de voorste en beste plaatsen zij die daarvoor een geldelijke bijdrage leverden, naar rang en stand volgens een regeling die door de kerkvoogden was vastgesteld.
Helemaal achteraan bevonden zich de zgn. vrije banken. Voor deze banken was geen plaatsengeld verschuldigd. De zitplaatsen werden dan ook ingenomen door hen die het moeilijk betalen konden: de landarbeiders en hun vrouwen.
Deze indeling stond in volstrekte tegenstelling tot wat iedere zondag van de kansel verkondigd werd, maar aan een “gebruik” werd niet getornd en wie het waagde daarop zelfs maar vragend in te gaan werd onmiddellijk teruggewezen. Zo was het tot omstreeks 1900.

De Smidt als prediker
Een van de grote bezwaren die de Hervormde Gemeente tegen het optreden van De Smidt had, was dat hij preekte zonder predikant te zijn. Ook, dat hij zo geheel anders preekte dan men gewoon was te horen.
Hij las een hoofdstuk, koos een tekst en dan begon hij in de eenvoudige taal die hij van zijn ouders geleerd had en die ook de hunne was, hen toe te spreken. Hij greep de mensen onmiddellijk door die taal en door de wijze waarop hij hen meevoerde naar hun dagelijkse leven, naar hun arbeid, naar hun bedrijf, naar het gunstige of ongunstige weer, kortom naar iets wat hen dagelijks bezighield. Daarmee stond hij tussen hen in, niet prekend vanaf een hoge stoel, maar sprekend en hen meevoerend naar hun woning, hun erf, hun land en van daaruit, indringend door woord en beeld, hen leidend naar de denkbeelden die hij aan alles wilde overbrengen. Ademloos luisterde men naar deze getuigende en overtuigende man die als eerste onder hen hun wat te zeggen had. Een volksredenaar waartegen de plaatselijke predikant, althans voor het gehoor van De Smidt, zo moeilijk concurreren kon. Want weliswaar probeerde ook die zijn gehoor tegemoet te komen door zich te verplaatsen in het leven van iedere dag, maar hoe ver stond hij dikwijls niet van velen af? “D'n doomnie ei netjes gepreekt,” heb ik wel gehoord. Ook wel: “dadaotie wel anders kunn:n zeghgh:n”. Toen hij het zo “netjes” deed had hij hen gepakt, maar als hij het had over de “zondige herberg”, dan viel dat bij velen minder goed.
De Smidt deed het altijd “netjes”. Hoewel hij waarschijnlijk zijn theologische denkbeelden op een minder verantwoorde, wetenschappelijke, wijze ontwikkelde dan de predikant. Maar die meer wetenschappelijke aanpak van de predikant was voor velen juist iets te hoog gegrepen.

Dan was er de maatschappelijke stand. Enerzijds de eenvoudige boerenjongen die zich verbeeldde dominee te zijn en anderzijds de predikant, de geleerde, die Latijn, Grieks en Hebreeuws verstond en de Bijbel lezen en verklaren kon vanuit de taal waarin hij geschreven was. Men heeft gezegd, dat De Smidt de Duitse wijsgeer Hegel kende, evenals de Franse dichter-schrijver-filosoof Voltaire en ook de Engelse bioloog Darwin. Hij kende de Nederlandse geschriften van die dagen, die van Bilderdijk, da Costa, Groen van Prinstererer niet te vergeten die van Abraham Kuyper. Dat hij zich niet bij Kuyper en de zijnen aansloot heeft als oorzaak dat de een als stichter van de Vrije Universiteit en de ander als medestichter van de Vrije Evangelische Gemeente, niet hetzelfde vaarwater kozen.

Zijn huisbezoeken
De huisbezoeken van De Smidt waren van een andere aard dan die van de plaatselijke predikant. En niet alleen van een andere aard, maar ook van een verstrekkender betekenis.
Een paar boerenfamilies traden tot zijn gemeente toe. Niet zo maar, zoals men zich abonneerde op het Advertentieblad. Een bezoek, een praatje over weer en wind en het bedrijf van boer tot boer. Het was niet moeilijk op deze wijze tot een goed gesprek te komen, inzonderheid niet als men iemand tegenover zich vindt met de slagvaardigheid van De Smidt.
Maar dan, bij een volgend bezoek, ging het gesprek wat dieper, De Smidt viel het niet moeilijk onderscheiden wegen in te slaan. En dan volgde bij die anderen, leden van de Hervormde Kerk, de twijfel, de aarzeling, de tweestrijd.
Want die overgang die nader en nader kwam, betekende een zich losmaken van wat in jaren was gegroeid. Het gevolg was: een losser familieverband - en dat in Zeeuws-Vlaanderen! - een verwijdering van kennissen en kerkelijke vrienden, een wijziging van levenswijze, inzonderheid een versobering van het leefpatroon.

Het opvallende van het optreden van De Smidt lag in het natuurlijke van zijn handelingen. Nimmer oefende hij aandrang uit. Het was bij hem niet de methode van: „je ziet dat toch in?" of, zelfs nog minder, van: “je moet.” Het was een wijze van gesprek voeren, waarbij de ander tot de conclusie kwam: dan dien ik zo te doen.
De Smidt riep veel verenigingen in het leven, ieder kon daarvan lid worden, ieder kon deelnemen aan bijeenkomsten. En zo waren onkerkelijken lid van de zangvereniging en het muziekgezelschap.

In ieder geval was er één groep van de bevolking, die zijn bijzondere belangstelling had: de duinbewoners. Men zou dit niet verwachten: zij immers hadden de minste kerkelijke belangstelling en zij ook leken het minst toegankelijk voor een ernstig gesprek, dat bij De Smidt toch altijd uiteindelijk in de bedoeling lag. Ook bij dat bezoek volgde hij zijn eigen, zeer persoonlijke, methode. Eerst met enige argwaan ontvangen, volgde al gauw een eerste toenadering. Deze man kon meepraten over hun dagelijkse leven, hun arbeid, hun zorgen. De landarbeid was hem bekend, de zee en de zeewering kende hij sinds zijn vroegste jeugd. En de taal die hij sprak was de hunne. Toch wel heel anders dan die dorpsdominee die ook wel eens kwam, maar het bij één bezoekje liet - en dat was eigenlijk al één te veel. De Smidt bleek een der hunnen, wat nog duidelijker sprak toen bleek dat hij ten volle bereid was hen met raad en daad bij te staan.
Daaruit ontstonden samenkomsten bij een hunner in de duinen. Er werd een kring gevormd. Daarin werden de gesprekken ernstiger. De Smidt las wat, stelde vragen, riep vragen op en zo vond hij daar een steeds aandachtiger en aanhankelijker gehoor.
Het verhaal gaat, dat een dezer duinbewoners die een winkel had, waarin alcohol verkocht werd, toetrad tot De Smidt's Gemeente en toen zijn drankvoorraad eigener beweging vernietigde.
Hij evangeliseerde, maar hij gaf deze mensen ook allerhande inzicht wat niet weinig bijdroeg tot hun ontwikkeling. Hij had het woord, maar ook zij kregen het woord en namen dat, in het begin aarzelend, later meer vrijmoedig. Er werd gelezen en gebeden, maar er werd ook veel gepraat, gepraat vanuit hun eenvoudige, niet zelden primitieve, gedachten en gevoelens, maar steeds werden zij gevoerd naar een hoger plan wat des te gemakkelijker was door hun belangstelling en hun waardering voor deze man van wie zij bemerkten dat hij hun zoveel te zeggen en te bieden had.

Zij kwamen ook naar het dorp, naar de samenkomsten in het evangelisatielokaal van De Smidt. Dat was een schuur achter de fietsenzaak van zijn zoon op de hoek Prinsestraat/Koolsweg. Wat zij daar zagen was iets ongekends. Men zat in dat lokaal niet gescheiden van elkaar naar rang en stand of financieel bezit, maar verenigd als één grote familie. Dat laatste bleek nader door de begroeting: broeders en zusters. Dat leek wat overdreven, maar de wijze waarop men met elkaar omging liet geen twijfel over de ware bedoelingen. Want ook de nieuwelingen werden onmiddellijk als zodanig opgenomen.
Dan was er een tweede verschijnsel dat niet minder de aandacht trok. De duinbewoners en landarbeiders kwamen er in hun eenvoudige kleding zonder enige versiering als gevolg van de beperkte inkomsten die zij genoten. Maar de aanwezigen, onder wie ook de gegoede boerenfamilies droegen dezelfde sobere kledij. De zijden schoften waren afgelegd, de kanten mutsen waren vervangen door een eenvoudiger en vooral goedkoper tooisel en alle zilveren en gouden sieraden waren opgeborgen. Ook in dit opzicht was er geen verschil. Was het een wonder dat het aantal volgelingen groeide?

Eenheid door gelijkheid
De Smidt's activiteiten namen toe. Des zomers kwam men één dag samen, veelal in Nieuwvliet. Daar ontmoette men ook de geloofsgenoten uit andere gemeenten. In de openlucht of in een grote tent werd men toegesproken, er werd gebeden en er werd veel gezongen voornamelijk de zogenaamde Sahkey-liederen.
Het meegebrachte brood werd gedeeld en inzonderheid daardoor werd de verbondenheid versterkt. Dat gebeurde ook als De Smidt in zijn tuin een grote tent liet plaatsen en ieder uitnodigde gedurende een week elke dag daarheen te komen. Er ontstond een nieuw woord in Cadzand: conferentie.
Dat De Smidt voor ogen stond het leven zijner gemeentenaren te moeten richten naar het voorbeeld der eerste christen-gemeenten was duidelijk.

Verzet
Was er dan, gezien de tegenstelling tussen De Smidt's gemeente en die van de “grote” kerk, nimmer sprake van enig openlijk verzet? Heel weinig, is daarop het antwoord. Maar eens maakte ik mee, dat toen de volgelingen zich voor de deur van zijn huis opmaakten om op twee boerenwagens naar Nieuwvliet te vertrekken ter viering van het zomerfeest, er door de omstanders duidelijk hoorbaar voor de feestgangers allerhande spottende opmerkingen gemaakt werden over de “kermis” die Nieuwvliet te wachten stond. Toen de wagens vertrokken groette hij de omstanders even vriendelijk als altijd met zijn bekende groet: Zeeg:n!

Op de vraag aan De Smidt jr. of hij wist van enige woordenwisseling die zijn vader ooit gehad had, zei deze dan ook: “daarvan heb ik nooit iets gemerkt”. Dat neemt niet weg, dat er vrij veel over hem gesproken werd en dan zelden in gunstige zin. De Smidt gaf daartoe ook wel aanleiding, getuige het volgende:

Het was oudejaarsavond. In de 'grote' kerk was er een dienst ter afsluiting van het jaar. Die begon om 7 uur.
De preek was een poging tot bezinning door een opsomming van het leed dat in het voorbije jaar ondervonden was en het was ook een poging voor te houden wat in het nieuwe jaar zo al niet gebeuren kon. Het traditionele gezang: Uren, dagen, maanden, jaren, werd op de meest ingetogen, plechtstatige en sombere wijze gezongen, ongetwijfeld mede veroorzaakt door het veelzeggende, niettemin tegenstrijdige der laatste twee regels: Al het heden wordt verleden, Schoon 't ons toegerekend blijft.
Als men dan weinig opgewekt om half negen weer thuisgekomen was, ontbrak de lust de laatste uren van het jaar in een passend samenzijn door te brengen. Men ging ter ruste en het werd stil in het dorp. Ook bij De Smidt werd een dienst gehouden. Ik weet niet hoe men daar de laatste uren van het jaar doorbracht. Maar men bleef er bij elkaar. En als de torenklok om 12 uur zijn laatste slagen had doen horen, werden in De Smidt's lokaliteit ramen en deuren geopend en daverde er door het dorp een mars van het muziekgezelschap, die het hele dorp ontwaken deed. Vol verwachting en vertrouwen ging men daar het nieuwe jaar tegemoet. De volgende dag werd daarover gesproken in niet mis te verstane termen: “Heb je dat vannacht gehoord? Dat doen ze daar zo!”

Een gemeenteavond bij De Smidt
Het was in 1901 of 1902 dat een Zuid-Afrikaanse boer zou spreken in De Smidt's lokaal. Het zaaltje was stampvol. Het gonsde in die dagen over die wrede Engelsen, over de oorlogskampen, over de onderdrukte boeren en over wisselende oorlogskansen. De namen Kruger, Botha, Cronjé kende ieder.
“Kent gij het volk vol heldenmoed, En toch zo lang geknecht?”. Het Transvaalse volkslied kende ieder tot en met de laatste regel.
De Afrikaander hield een toespraak en hij had het over een “kopje” hier, dat genomen werd en een “kopje” daar dat verloren ging. Men zong het volkslied. Toen sprak De Smidt op zijn gewone, eenvoudige, pakkende wijze, voor ieder begrijpbaar. Ook zijn woord werd gevolgd door een lied, één der Sankey-liederen:

'Mannenbroeders ziet het teken, Wapprend in de lucht. Uw versterking komt van boven. Weest dan niet beducht!

Het was een marslied weer door allen meegezongen en wel zo krachtig dat jij je slechts verwonderen kon, dat de ramen niet uit hun sponningen sprongen. Toen weer een toespraak en weer een lied. Thans een in driekwartsmaat, zangerig en zeer geliefd:

'Ik zie een poort wijd openstaan Waardoor het licht komt stromen...
En onderwijl lei die grote, sterke man naast mij zijn zware arm om mij heen en trok mij naar zich toe.'

De verdere activiteiten van De Smidt
Opgemerkt dient eerst te worden dat De Smidt bij de kwaliteiten die bij bezat, ook die van het organiseren behoorde. Hij stichtte de zondagschool, geleid door vrouwen en mannen uit eigen kring, een meisjes- en een jongelingsvereniging, een vrouwen- en een mannenvereniging, de zangvereniging Looft den Heer.
In 1894 bracht hij het muziekgezelschap Excelsior tot stand. Het waren alle instellingen die voortkwamen uit zijn evangelische arbeid. Men kan ze dan ook evangeliserend noemen. Maar het is ook duidelijk, dat in een zangvereniging en in een muziekgezelschap in de eerste plaats zang en muziek beoefent worden. Daarbij behoort dan ook vermeld dat deze beoefening in niet geringe mate bijdroeg tot de algemene ontwikkeling. Van deze zangvereniging en van dit muziekgezelschap, trouwens van iedere vereniging, kon ieder lid worden die zich daarvoor opgaf zonder aanzien des persoons. Ook landarbeiders en hun kinderen en ook dorpelingen zonder enige kerkelijke binding traden toe. Twee volgelingen van De Smidt, een uit Nieuwvliet en een uit Cadzand leerden de leden het notenschrift en onderrichtten hen in de bespeling van een instrument. Want ook in Cadzand was muzikale begaafdheid aanwezig! Ook van de zangvereniging en van al die andere verenigingen ging een overeenkomstige invloed uit ter bevordering van de algemene ontwikkeling. Gewaardeerd werden deze activiteiten door hen die er profijt van trokken, minder gewaardeerd en veroordeeld zelfs werden ze door hen, die kerkelijk of onkerkelijk tegenstanders waren van De Smidt. Zo werd in 1897 een muziekgezelschap in navolging opgericht, Geduld Overwint. Leden daarvan waren vertegenwoordigers van de boeren- en burgerlijke families. Landarbeiders hadden geen toegang. Alsof er ook onder hen geen muzikale begaafdheid school! Zo had het kleine Cadzand twee fanfarekorpsen. Dat van De Smidt bestaat nog altijd en heeft in 1994 zijn 100-jarig bestaan herdacht.

Nabeschouwing
Van de hand van De Smidt is helaas niets te lezen. Wel kan men over hem lezen in bovengenoemde geschriften. Dat hij teleurstelling en verdriet ondervonden heeft door de van onverdraagzaamheid getuigende houding van een groot deel van zijn dorpsgenoten, moet van deze zachtmoedige en bewogen man aangenomen worden. Vermeld wordt hoe hij ook op tegenstand stuitte in eigen kring. De Smidt wilde een muziekgezelschap oprichten, maar dat ondervond tegenstand, omdat enigen van mening waren dat muziek maken niet passend was in hun gemeenschap!
De Smidt zag het anders. Een muziekgezelschap zou niet weinig kunnen bijdragen tot wat hij in de samenkomsten met volwassenen en kinderen brengen wilde. Bovendien zou het leren van het muziekschrift en het leren bespelen van een muziekinstrument bijdragen tot de ontwikkeling der leden en de versterking van hun zelfvertrouwen.
De Smidt is al spoedig na zijn aankomst in Cadzand begonnen met de volksontwikkeling te verbeteren. In hoeverre De Smidt het lezen leren persoonlijk ter hand genomen heeft is niet bekend. In ieder geval stelden eigen gemeenteleden zich daar voor beschikbaar. Ieder die tot zijn gemeente toetrad werd aan heiwerk gezet naar de mate van haar of zijn vermogen. Het sterk organiserend talent dat De Smidt bezat stelde hem in staat een hechter gesloten gemeenschap op te bouwen. De samenhang van deze gemeenschap was dan ook spreekwoordelijk. In al dat onderrichtende, leidinggevende en vormende werk waren allen betrokken, die daarin hun diensten geven konden.

Wouter De Smidt stond bekend als een uiterst vriendelijk en zachtmoedig man, wars van ieder uiterlijk vertoon.
Wat De Smidt tot stand heeft gebracht, heeft niemand ter plaatse hem ooit nagedaan. De vele draden die hij in handen had en stevig in handen hield, verbonden hem met zijn schare volgelingen en met de instellingen die hij gevestigd had.

Hij kon zich niet verenigen met wat hij noemde de vormendienst in de kerk, waartoe hij eertijds behoorde, en hij niet zag hoe hij daarin, anders dan door zich af te scheiden, voor zichzelve en voor anderen die zijn gevoelens deelden verandering kon brengen. Smaad en hoon waren zijn deel. In het begin keerde zich bijkans ieder van hem af, de predikant van de 'grote' kerk voorop. Later waren er wel predikanten die samenkomsten van hem en zijn geloofsgenoten bijwoonden.
Maar er bleef een grote afstand, zó groot dat broodroof het deel was van zijn zoon die in het gebouwencomplex van zijn vader een rijwielzaak begonnen was in de tijd dat de fiets, zo omstreeks 1900, ingang begon te vinden. “Niet bij Smidt een fiets kopen”, werd gezegd.

De Smidt had een bijzondere kwetsbare plaats gekozen, waar zijn gaven tot hun recht konden komen en wel door de bijzondere constellatie die hij in zijn nieuwe woonplaats Cadzand vond.
De Smidt was een bedienaar van het woord, van het woord zonder en met een hoofdletter. De taalverrijking die hij aanbracht, de taalhantering die hij bewerkstelligde, de ontwikkeling die hij mede daardoor bevorderde zijn voor velen waardevol gebleken.

Zijn begrafenis
Het was een 'gebruik' in Cadzand en het dient gezegd: een bijzonder te waarderen 'gebruik' een begrafenis met het grootst mogelijke respect te omringen. Als de torenklok drie uur geslagen had, trok ieder zich in de straat, waardoor de stoet passeren moest, terug in eigen huis. De politie had even tevoren ervoor gewaakt dat er zich in de te volgen straten geen vervoermiddel bevond, laat staan zich bewoog. Gedurende een half uur was aller aandacht in het dorp gericht op de uitvaart van de dode.

Ook voor Wouter De Smidt was een begrafenis op dezelfde sobere wijze ingericht. Met dit grote verschil dat de lijkstoet gevolgd werd door zijn gemeenteleden en door tal van volgelingen uit de omliggende gemeenten. Dat ook het muziekgezelschap meeliep in de stoet, het vaandel voorop gedragen, was daarbij vanzelfsprekend.
Maar er was nog een groot verschil met iedere andere begrafenis. De bevolking van Cadzand was uitgelopen en had zich opgesteld langs de weg die de stoet moest volgen. Dorpsgenoten die misschien door hun aanwezigheid van hun erkenning en waardering deden blijken?
Website Vrije Evangelische Gemeente

Bron: dr. Ineke Jonker-de Putter