Omstreeks 1900 sierde het bloeiende koolzaad menige akker in het Land van Cadzand. Het koolzaad werd in september gezaaid, het kwam in april/mei tot bloei en het werd in juni/juli geoogst.

Nadat de vrucht voldoende afgerijpt was sneden de arbeiders en arbeidsters met een rechtse of linkse sikkel de zaadstengels onder de laagste peulen af. In hun vrije hand verzamelden zij de stengels tot losse bossen (zanten), die in een lang lint tussen de hoge stoppels op het veld werden gelegd. Na een week drogen in de zon maakte men zich op om het zaad te dorsen met de kleine vlegel (de zaadvlui). Het dorsen van het koolzaad geschiedde op de akker. Het was een bijzondere gebeurtenis in het leven van de landarbeiders, de knechten en de meiden omdat het afgesloten werd met een feest op het veld. Foto: arbeiders op de Beerhoeve.
Op de dag dat er gedorst werd begon men 's ochtends vroeg, nog voor de dauw opgetrokken was, met het uittrekken van de stoppels op de kop van de akker. Vervolgens werd het van stoppels ontdane deel geëgaliseerd. Nadat dit was gebeurd werd er een groot grondzeil (de demp) overheen gelegd. De demp was de plaats waar gedorst zou worden. Daarna was het wachten totdat de dauw oploste. Zodra dit was gebeurd werd er begonnen. De oudste arbeider verdeelde het werk. Zo stelde hij twee dorsploegen in van elk vier dorsers. Deze dorsers dienden op elkaar gehand te zijn, zodat de vierklap goed tot zijn recht kon komen. De overige arbeiders werden andere taken toebedeeld, zoals het werken in de peulhoek. In de peulhoek, naast de demp, stapelde men het afvalstro op een zodanige wijze op dat het gescheiden bleef van het gedorste koolzaad.
Van links naar rechts: dragers met een leeg draagzeil, Hyp. van de Vijver, drie arbeidsters met 'baalschorte' en strohoed op die de draagzeilen met zanten koolzaad dienden te laden, de dorsers onder hen Adriaan de Neef en Wannes Kraaimes. Een raster met 'pêsse'. De 'pêsse' diende om het koolzaad te keren wat één keer was gedorst alvorens het af te dorsen. De werknemers uit de kaf- en peulhoek, waaronder de 17-jarige Pieter de Neef die wat brokkelingen omhoog steekt. Kinderen van de arbeiders. Uiterst links Suzanna en Abraham Dierinkse met hun vader die het draagzeil op zijn schouder torst. Op aangeven van de oudste arbeider losten de dorsploegen elkaar af. Er werd dus steeds door vier man gedorst. Foto: hofstede Van de Vijver aan de Erasmusweg.

Om de koolzaadstengels naar de dorsplaats te brengen gebruikte men een tweetal draagzeilen. Op het veld verzamelden enkele arbeidsters de zanten om die vervolgens op een van de draagzeilen te leggen. Was het zeil goed vol dan droegen twee arbeiders het zeil naar de dorsplaats. Ondertussen gingen de arbeidsters verder met het vullen van het andere draagzeil. Een dergelijk draagzeil had een omvang van 1,50 bij 2,55 meter. Aan de lange zijden van het zeil waren een tweetal essenhouten draagstokken bevestigd, waardoor men het eenvoudig kon verplaatsen door het op de schouder te dragen. Was het halfschaft dan werd er gestopt om wat te drinken, maar niet voor lang. Spoedig werd er weer volop gewerkt. Om 11.00 uur begon de middagpauze die tot 13.00 uur duurde. Onderwijl zorgde de boer voor een vat bier dat op een schaduwrijk plekje werd gelegd opdat het bier koel bleef. Het eerste bier werd geschonken om 14.15 uur, halfschaft. Om 15.30 uur bracht de kleine meid de koffie en de boterhammen; voor elk drie stuks belegd met ham. Na de schaft steeg de stemming onder de werkenden naarmate het karwei vorderde. Na afloop was er immers een maal en bier.
Zodra al het koolzaad was gedorst verscheen de grote knecht met een wagen getrokken door twee paarden. Op de wagen lagen linnen zakken (liematen) en de graanmaat. Vervolgens vulden de arbeiders de zakken met het gedorste zaad; vier maten voor een zak en 14 zakken voor een last. Veel boeren hadden omstreeks 1900 nog geheel houten wagens. Ook de assen waren van hout. De capaciteit van de wagens was dus gering. Op de boerderij werden de zakken opgeslagen op de graanzolder (de piezel). Vooraleer het koolzaad werd verkocht werd het geschoond met een dopzeef. De zeefkunst was overigens slechts aan enkele arbeiders voorbehouden. Op de akker was het feest inmiddels in volle gang. De arbeiders, de arbeidsters, de knechten, de meiden en de koewachter, iedereen was er. Er werd flink gegeten en het bier vloeide rijkelijk. Het vat moest leeg. Bovendien was er altijd wel iemand die een harmonica bij zich had. De demp waar eerst de vierklap heerste werd dansvloer. Het feestrumoer trok ook knechten en meiden van nabijgelegen boerderijen aan. Zij deelden in de feestvreugde. Menige relatie voor het leven vond zijn oorsprong op de demp. Was het eenmaal acht uur 's avonds dan verstomde het lied. Op de boerderij wachtte de warme karnemelkpap voor de knechten en de meiden, terwijl de arbeiders en arbeidsters hun huisjes opzochten om te gaan slapen. Voor hen was het weer vroeg dag. In de polder keerde de rust weer. Begeleid door het gekwaak van de vele kikkers daalde de dauw van de zomernacht over het veld neer.

De volgende dag werd het zaadstro (de brokkelingen) naar de boerderij gevoerd om te worden gebruikt als voetstro onder de tas in de winkel, de ruimte tussen de dorsvloeren. Bleven er dan nog brokkelingen over dan werd het restant opgeslagen in de onderlat, de ruimte tussen de winkel en de weeg (de zwart geteerde gepotdekselde houten wand van de schuur).De stoppels die op het land achtergebleven waren werden door de vrouwen van de arbeiders verzameld en thuis opgeslagen om als brandstof voor de haard te dienen. Het kaf werd aangewend om het kafbed in de bedsteden op te vullen.

Bron:
Gerard van de Velde
Omstreeks 1950 opgetekend uit de mond van wijlen Pieter de Hullu. Pieter de Hullu was 18 jaar lang grote knecht op de Beerhoeve, een van de voornaamste boerderijen in het Land van Cadzand.