JAN RISSEEUW, landbouwerszoon, architect en campinghouder uit Cadzand, die vele jaren bestuurslid was van de Heemkundige Kring West Zeeuwsch-Vlaanderen, heeft in het Mededelingenblad van die kring op knappe wijze een boerenvisite in het begin van de jaren twintig van deze eeuw beschreven. Hij was er zelf als kind ooggetuige van en heeft alles haarfijn onthouden. Dit was een visite van protestantse boeren. In Cadzand en omgeving.woonden praktisch geen katholieken en in die tijd leefden die gemeenschappen nogal naast elkaar. Veel van die boeren waren nakomelingen van de Hugenoten, protestanten uit Frankrijk, die vanwege hun godsdienstige overtuiging in de 17e en 18e eeuw naar hier waren uitgeweken.

EEN BOERENVISITE

Uit mijn kinderjaren kan ik me nog goed herinneren hoe het daar toeging. Visites kwamen naar mijn gedacht vroeger vaker voor dan tegenwoordig. Er waren grotere gezinnen en wanneer alles goed verliep onder elkaar, dan kwam men op geregelde tijden bij elkaar.
Hetzij om een verjaardag te vieren of zo maar om niets te vieren. De meest geschikte tijd was het voor- of het najaar. Toch hadden de meeste boerenmensen vroeger meer tijd dan tegenwoordig. Was de baas of vrouwe afwezig dan ging het werk toch normaal door, want er was personeel en er waren kinderen die het werk op konden knappen. Wij als kinderen verheugden ons reeds bij voorbaat op dit familiefeest.

SJEES
De nooms en moeien (wat toen gezegd werd) kwamen met eigentijds vervoermiddel, namelijk de sjees, bespannen met een paard, de loper. In de sjees was plaats voor vier personen, twee op het voorbankje en twee achterin. Dit was de plaats voor de vrouw en kinderen. De sjezen waren in zekere zin pronkstukken, aan de binnenzijde meestal bekleed met gecapitoneerd leder in de kleuren zwart of paars. Aan weerszijden was er een raampje met geslepen glas. Aan de achterkant een rond uitkijkglaasje, eveneens met geslepen rond glas. De personen op het voorbankje konden, als het koud was, zich verwarmen door de lederen schort over de benen te trekken en vast de knopen. Bij de achterbank stond de koperen rijtuigstoof voorzien van een briketje voor de vrouwen voeten. Aan de voorzijde was er aan weerskanten een kaarselantaarn, meestal met veel koper, netjes gepoetst. Deze lantaarns gaven zeer weinig licht doch achter de kaars was een spiegeltje zodat het weinige licht wat versterkt werd. Het geheel was compleet met zweep, rechtop staande in een rond kokertje vlakbij de voerman. Indien nodig werd de zweep er over getrokken. Meestal was het een beetje pingelen met het zweepuiteinde over de paarderug. De karretjes kwamen op het hof gereden en bij de stal hield men stil. Eerst van al moesten de vrouwen uitstappen. Dan kwam de knecht, die als 'Hansje mijn knecht' optrad, helpen bij het uitspannen. Het paard werd op stal gezet en werd tevreden gesteld met een 'klatte' luzernehooi in het 'risteel'.

VISITE
De visite begon rond twee uur. De vrouwen waren netjes in de Cadzandse dracht, wat voor oudere vrouwen meestal zeer flatterend was. De karrekassemuts stond netjes gesloten rond het gezicht. Het rabat golfde wijd uit. De gouden mutsebellen waren net zichtbaar. Wij als kinderen stonden al aan de achterdeur om de moeien op te vangen. Dit was niet zonder bedoeling, want naar gewoonte brachten de moeien snoep mee voor de kinderen. Een tasje hadden ze hiervoor niet nodig, want onder de zwartzijden schort kwam eerst het zwart 'keus'. Hierin was aan de zijkant een split en daaronder droegen ze een zwarte zak met linten om het middel gebonden. In die zak zaten portemonnaie, zakdoek en het langverwachte puntbeursje snoepgoed. Na ontvangst gingen we de inhoud snel verdelen en werd de volgende moeie afgewacht.
De visite werd gehouden in de voorkamer. Die kamer werd de keuken genoemd. De stoelen stonden al netjes in twee rijen. Een rij stond langs de bedsteerand, het schutsel genaamd. Deze was bestemd voor de vrouwen. De andere rij, langs de ramen, was voor de mannen van het gezelschap. Niemand ging zomaar op de eerste de beste stoel zitten, maar men zat steeds oudst om oudst, te beginnen bij de schoorsteen. Daar werd niet van afgeweken. Dit evenzo bij de mannen. Het vrouwvolk kreeg een stoof onder de voeten met een gloeiend briketje of turf erin. De voeten op de stoof en daarover de keuzen. Van kou was dan geen sprake meer.

De gesprekken begonnen over en weer, dan koetjes en kalfjes, over de knechts, die uit of in dienst kwamen en over de meiden. De prijzen van het beestiaal en de granen werden besproken met allerlei kwinkslagen er tussendoor. De gastvrouw die aan de kamerdeur zat, aan het eind van de uitgetrokken tafel, ging de thee inschenken. De meid, die in het achterhuis verbleef, zorgde steeds voor verse thee. Ze kwam evenwel niet in de voorkamer. Ieder kon een 'domineesklompje' of een bruidsuiker erbij nemen naar smaak. (Foto rechts: echtpaar Zonnevijle-Van de Ameele)
Rond vier uur stonden de mannen op en gingen de beesten bekijken in de koeie- en paardestal. De vrouwen volgden naar buiten en gingen een andere kant op. De hof werd bekeken en de boomgaard of de kuikens in de hoender-ren. In die tussentijd was er voor de vrouw des huizes en de meid gelegenheid om de koffietafel klaar te maken. Een half uur of drie kwartier later kwam ieder weer naar binnen na eerst even een bezoek te hebben gebracht aan 't usje' om zijn behoefte te doen.

NETJES
Alles op tafel zag er netjes uit. In het midden een grote witte en krententulband. Die was nog niet aangesneden, want die kwam pas het laatst aan bod. Volop kadetjes, krentekoeken of vollaars met kaas of vlees van het gebraden rolletje. Was ieder bijna voldaa, dan kwam de tulband aan de beurt. Deze werd netjes gesneden met een vlijmscherp broodmes. Boter en suiker ontbraken hierbij niet. De zilveren suikerstrooiers kwamen goed van pas. Moeder had de vorige dag de boter netjes opgesierd en wel uit vormpjes van een schaap- of schelp. Wij hadden tevoren al krenten op de plaats van de schapenogen aangebracht. Als de borden leeg waren was het nogmaals: “Toe neem d' r nog maar eentje, het staat er voor.” De maaltijd was afgelopen. Het tafelgerij ging naar het achterhuis waar de meid aan de slag kon met afwassen.
Tegen de avond kwamen de wijnglazen op tafel. Elk glas werd tot op de helft gevuld met witte zoete Samoswijn en volgegoten met rode Bergerac. Twee of drie keer werd er ingeschonken en dan kwamen de grappen los.

AFSCHEID
Tegen een uur of acht, half negen, begon één van de vrouwen: “Baas wat denk je ervan, zou je het paard niet eens inspannen?” Meestal vertrokken allen tegelijk. Het was dan een drukte van belang met afscheid nemen. Veelal werd er direct een afspraak gemaakt voor de volgende visite bij een van de anderen. Iedereen stemde daarmee in. De vrouwen zeiden nog een goede dag tegen de meid en tevens werd er een fooi in haar hand gefoefeld. In een onbewaakt moment dronken wij, de kinderen, gauw de restjes van de wijn, die nog in de glazen waren achtergebleven, uit. De visite was afgelopen en ieder keerde voldaan huiswaarts.

Bron:
Jan Risseeuw
Leendert Fremouw
Zeeuws Archief