1977. Het schip de Attican Unity vaart onder de Belgische kust, als er brand uitbreekt.
De kapitein besluit door te varen naar Antwerpen. De lading van het schip is gif.

De Nederlandse autoriteiten weigeren de Attican Unity de doorvaart. De brand breidt zich uit.





KNKM-reddingsboot de Javazee, gestationeerd in Breskens, haalt de 28 bemanningsleden van boord.

In overleg met het bergingsbedrijf besluit de kapitein de Attican Unity bij Cadzand aan de grond te zetten. Nadat de brand enkele dagen gewoed heeft, wordt het schip geborgen. De Nederlandse overheid neemt de kosten op zich. Na de berging van de Attican Unity begint de Nederlandse Staat een proces tegen de eigenaar van het schip en de bergingsmaatschappij tot terugbetaling van de gemaakte kosten. Het Hof wijst de claim af op grond van art. 14 en 15 van de Conventie van Genéve 1958:

"Een schip in nood heeft verder, geheel onafhankelijk van het recht op onschuldige doorvaart het recht om de kust op te zoeken teneinde aan een noodtoestand zo goed mogelijk het hoofd te kunnen bieden. Een schip in nood heeft mitsdien niet alleen het recht om de territoriale zee te gebruiken, maar ook om door de binnenwateren te varen en in een haven of elders op de kust veiligheid te zoeken."