12.000 vC Aan het eind van de laatste ijstijd, 12.000 jaar geleden, volgde de Schelde al grotendeels dezelfde loop vanaf haar Noordfranse bron maar ze mondde uit in de Maas, die op haar beurt in de Rijn afwaterde. De Rijn mondde in die tijd pas ergens bij de Doggersbank -nu een grote ondiepte- uit in de Noordzee. Het hele zuidelijke Noordzeebekken lag toen droog. In het zuiden was geen verbinding met de Atlantische oceaan (via het Nauw van Calais). De Noordzee had zich naar het noorden tot de lijn Schotland-Jutland teruggetrokken. De Westerschelde van nu is amper zes a zeven eeuwen oud. Klik voor vergroting
9.000 vC Tijdens de Vlaamse Transgressie I, van 9.000 tot 7.000 jaar voor onze jaartelling, steeg de zeespiegel gemiddeld 2 m per eeuw. Het peil van de zee lag 25 meter lager dan het huidige peil. Tussen 8.000 en 5.500 jaar B.P. (= Before Present: voor heden) steeg het zeewater van -25 m. NAP tot -4 m. NAP. Oorzaak: afsmeltend ijs van de gletsjers. De Vlaamse Transgressie ontstond door een algemene opwarming van de aarde, waardoor de ijskappen smolten en het niveau van de zeespiegel steeg.
Er zijn  voorwerpen en bewijzen van bewoning uit de IJzertijd gevonden. De vroegste voorwerpen zijn uit 9.000 jaar voor onze jaartelling, bijlen van rendiergeweien, vuurstenen voorwerpen.
Klik voor vergroting
4.000 vC Als gevolg van de golfstroom (Atlantische Oceaan) wordt 4.000 jaar voor onze jaartelling de verbinding van Engeland met Frankrijk eerst uitgeschuurd en tenslotte  verbroken. Het Nauw van Calais ontstond. Engeland werd een eiland. Het meegesleurde zand zet zich af langs de Nederlandse kust. De zeespiegel stijgt gemiddeld 50 cm per eeuw.

In West Zeeuws-Vlaanderen is een grafheuvel uit de bronstijd 3.000-1.000 v Chr ontdekt.
Klik voor vergroting
1.000 vC De zeespiegel stijgt gemiddeld 15 cm per eeuw. Klik voor vergroting
0000 De Romeinse Tijd duurde in Zeeland van van 54 voor Chr. tot ca. 300 na Chr.. De Romeinen brachten selderij, peterselie, biet, sla, knoflook en witte wortel, de voorloper van de aardappel.

De kustvlakte tot aan de rand van de zandstreek bestaat voor nagenoeg de helft uit een met geulen doorsneden waddengebied van slikken en schorren dat wij thans kunnen vergelijken met de huidige Nederlandse schorren. In deze D-II-Transgressie wordt dagelijks zand en klei afgezet wat tot opslibbing en verhoging leidt van het wad.
Aan de ene kant groeien de bedoelde gebieden aan door aanslibbingen, maar aan de andere kant worden de aanwinsten door springvloeden en andere stormen teniet gedaan en neemt de zee er telkens nog een stuk land bij. Deze wisselwerking tussen zee en land met de zee aan de winnende hand, maakt in de periode 250-500 bijna alle bewoning achter de Zeeuwse en Vlaamse duinen onmogelijk.
100 In de Romeinse Tijd wordt de latere Vlaamse kustvlakte bevolkt door de Menapiërs en de Morinen. Beide stammen behoren tot het Keltische ras. Het voedsel van de bevolking bestaat uit erwten, bonen, wortelen, uien en kool. Over het grondgebruik en hun nederzettingen is weinig bekend. Vast staat dat uit deze gebieden o.a. schapenwol en ganzen werden geëxporteerd. Door de vele overstromingen in 250-300 moet de bevolking het gebied verlaten. Klik voor vergroting
250 Op het laatst van de Romeinse tijd hebben grote overstromingen plaats gehad, die de duinenrij doorbraken en diepe inhammen veroorzaakten in de kustlijn.
Waarschijnlijk gebeurde dit niet ineens, doch geleidelijk aan. Toen moet ook het Zwin ontstaan zijn, dat oorspronkelijk onder de naam van Sincfala voorkomt. Deze inham der zee — tot Brugge doorlopend — wordt al vroeg vermeld als de grens van het gebied der Friezen. De positie van het latere Cadzand is met rood aangegeven. De huidige kuststreek is nog water.
Klik voor vergroting
400
De leeggelopen kust- en Scheldestreek was al deels herbewoond vanaf de 4e eeuw met Saksische groepen die
hun Germaanse cultuur en taal behielden. De naam Vlaanderen wordt voor het eerst genoemd in 358, toen de Franken Vlaanderengouw of pagus Flandrensis van de Romeinen onder hun beheer kregen. Tussen de 3e en
de 8e eeuw werd het gebied tweemaal per dag overstroomd door de Noordzee. Tientallen grote vloeden, in
486 met aardbevingen, teisterden dijken en duinen en verdreven de inwoners.

In deze tijd zijn reeds een paar nederzettingen ontstaan, o.a. Aardenburg en Oostburg, welke beide plaatsen
al zeer vroeg worden vermeld en tot de oudste van ons land behoren.
500 De periode van het jaar 500 tot 1000 wordt de duistere middeleeuwen genoemd.
De bevolking wordt aangevuld met Rijnlandse Franken en andere Germaanse groepen uit Nederland en Duitsland.
De schapenteelt is een van de voornaamste bronnen van bestaan. Oostburg en Aardenburg kennen in de vroege middeleeuwen al een bloeiende wolhandel.
Akkerbouw op beperkte schaal is te vinden op de hoger gelegen schorgronden ver van zee. Graan is het voornaamste produkt. Om de kachel te stoken wordt in dit boomloos gebied griendhout aangeplant. In 513 en 523 zetten watervloeden het gebied onder water.
Klik voor vergroting
600 Vanaf 600 wordt het christendom gebracht bij onze heidense voorouders. Het eerst horen we van St. Ursmarus,
die kort na 600 in de omgeving van Oostburg predikt en die in Rodenburg (Aardenburg) een klooster sticht. Omstreeks 650 zijn het St. Amandus en vooral St. Eligius (Eloy), die hier onverdroten het geloof hebben
verkondigd ondanks velerlei moeilijkheden. Ook St. Willibord heeft deze streken op zijn menigvuldige
missiereizen bezocht. Pas na het stichten van abdijen worden resultaten bereikt.
700 Het eiland Wulpen is al bewoond. De opwas Cesant, die later Ceasant/ Caedzant/Catsant/ Cadzand zal worden genoemd, groeit in de luwte van Wulpen. Klik voor vergroting
800 Het latere Zeeuwsch-Vlaanderen is in de negende en tiende eeuw al op talrijke plekken bewoond. Het eiland van Casant is nog een sant (zandplaat in zee).

Ongetwijfeld bestaan er vanaf de Keltische periode handelskontakten tussen de bewoners van de Noordzeekusten, en wordt niet alleen de koopvaardij maar ook de zeeroverij bedreven. In de periode 820-1100 vallen de Noormannen regelmatig de Vlaamse kust aan. Het zijn Denen, die handel willen drijven. Aangezien er nog geen handel van betekenis is, slaan ze aan het plunderen. Als oudste piraten vermeldt men Friezen, Saksen, Denen en Noormannen.
klik voor vergroting
838 Op tweede kerstdag, 26 december 838, treft een zware stormvloed het gehele kustgebied van de Lage Landen.
Het water bereikt bijna de hoogte van de machtige duinen. Het zou de zwaarste stormvloed in deze eeuw zijn geweest. Volgens de geschriften van Gerward uit Nijmegen en Prudentius, de latere bisschop van Troyes, zijn
er meer dan 2500 slachtoffers. Hun gegevens zijn echter uit de tweede hand.
862 Boudewijn I (bijgenaamd Boudewijn met de ijzeren arm) wordt de eerste gouwgraaf van Vlaanderen. Hij is een telg uit de Keltische stam Morinen. Het Graafschap Vlaanderen (862-1795) is een gewest van het koninkrijk Frankrijk van 862 tot 1529.
Aardenburg is inmiddels door de koophandel een machtige en vermaarde plaats. Tussen 863 en 870 komen de Noormannen onder aanvoering van hun leider Vlastinges op bezoek en plunderen en verwoesten de gehele stad. Pas rond het jaar 1000 nemen de aanvallen af.

In de verwarring van de Noormannentijd wisten de graven van Vlaanderen zich veel goederen en rechten van grote abdijen toe te eigenen. Ook de abdij van St. Pieters zag op deze wijze vele bezittingen verloren gaan. Graaf Arnulf I (918-965) schonk evenwel in 941 een gedeelte ervan aan de abdij terug om het onrecht van zijn voorgangers te herstellen.
klik voor vergroting
950 Bij de opkomende handel in Vlaanderen wordt al geld gebruikt. Gezien de nauwe contacten met het achterland,
zijn het overwegend Duitse zilveren en Gouden muntstukken.
976
In een charter uit 976 wordt een grondruil tussen Keizer Otto II en de St. Baafs abdij te Gent beschreven.
Het betreft de pagus Thesandrie. De verklaring van een hoogleraar geschiedenis, dat dit het Eiland van
Cadzand betreft, is onjuist. Lees verder...
1000 De periode van het jaar 1000 tot 1400 wordt De Middeleeuwen genoemd.

De Schelde loopt via de Oosterschelde in zee uit. Lees verder...
klik voor vergroting
1014 29 sept. 3 dagen harde wind zonder regen. Het zeewater wordt het land ingejaagd. Schepen slaan te pletter.
In de kroniek van de abdij van Quedlinburg in Saksen spreekt men over duizenden doden. Het gevolg van de stormvloed moet een langdurige overstroming zijn geweest. De kustbewoners gingen zich na deze overstroming beschermen tegen het water, door 2 meter hoge terpen op te werpen. Deze hielpen maar matig. In de jaren
1015, 1016, 1017, 1020 en 1040 volgden meer overstromingen.
De opwas(cesant) ten noordoosten van Lammingsvliet (Sluys) heeft een lage begroeing, geschikt als schapenwei,
maar het is niet bekend of er zich al mensen (tijdelijk) gevestigd hebben.
1042 2 november 1042 worden de kusten van Vlaanderen getroffen. De stormvloed wordt slechts in één bron
vermeld en is daardoor minder betrouwbaar.
1050 Bewoning en de eerste inpoldering van Casant. Lees verder...
1050 De oorsprong van de naam Casant. Lees verder...
1080 In 1080, 1082 en 1086 veroorzaken grote watervloeden een hoge sterfte onder vee en pluimvee en mislukken graanoogsten.
1096 Onder het dekenaat (moederparochie) Aardenburg komen Hannekenswerve (bij Draaibrug), Lammensvliet (het latere Sluis) en Casant voort.  Hannekenswerve en Lammingsvliet zijn enkele jaren vóór 1089 gesticht. Het bisdom Doornik gaf in 1096 via het aartsdiaconaat Brugge aan het dekenaat Aardenburg de opdracht de parochie Casant te stichten. De parochie Casant en een kapel zijn volgens een register uit 1559 bekostigt door Radbod, bisschop van Doornik.
Gezien de naam van de polder, heeft de kapel op Casant uiterst rechts op het hoogste punt in de Kercpolre (27) gestaan tegenover de latere ‘Onze Vrouwe Kercke op Cassant’.
De oude nederzetting Casant moet in het midden van het eiland gelegen hebben. Noord van de latere Oudelandsepolder lag nog een kern, Oudewerve en in NO, bij de latere Tienhonderdpolder de kern Stockelins-cruce.
Klik voor vergroting
1100 Op het eiland van Catsant is vanaf het begin het leenstelsel van toepassing. Ridders uit het Graafschap Vlaanderen worden voor hun diensten aan de graaf beloond met het vruchtgebruik van een akker op Catsant. Zij worden wel verplicht een tiende deel van de oogst aan de patroon van kerk, de St. Baafsabdij te Gent, te schenken.
Lees verder...
1100-1500 Vanaf de 12e eeuw is het stelsel met horigen afgeschaft. De horigen zijn vrij man en worden de derde klasse genoemd. Ze mogen handelen en grond bezitten of pachten. Dit komt de Vlaamse economie ten goede.
In de middeleeuwse maatschappij vindt men een relatief hoog percentage minderbedeelden: arme gezinnen, bejaarden, gehandicapten, werklozen. Voor die personen bestaan er geen sociale voorzieningen vanwege de overheid. Iedere parochie richt een Dis van de heilige Geest in. Die instantie wordt beheerd door dismeesters
en trekt haar inkomsten uit gronden, renten, giften. De verleende steun bestaat vooral uit gaven in natura:
graan, vlees, vis, kleren, schoenen. De Dis richtte een ziekenhuis in, en verleent onderdak aan bejaarden.
1111 In 1101, 1105, 1108, 1111 en 1112 razen stormvloeden over de kust van Vlaanderen. Bij de vloed van 1108
werden vele Vlamingen, die aan zee woonden genoodzaakt de wijk te nemen naar Engeland, waar koning
Henderik hun uiteindelijk in Wallis in het graafschap Pembroke een woonplaats aanwees.
Bij het beschrijven van de schade in 1111 wordt ook het eiland 'Cassant' genoemd. De omvang van de schade
is niet bekend.
Cassant wordt ook al als vissersplaats genoemd. De bewoners visten onder de kust en in kreken op makreel,
zalm, kabeljauw, schelvis, pladijs (schol), bot en paling.
1112 De 1 meter hoge cades van de poldertjes/percelen op het eiland van Cassant geven nauwelijks bescherming
tegen overstroming. Er wordt een dijk van 2,50m hoog om de polders heen gelegd.
De nieuwe, grote polder heet de Oudelandsepolder.

Het eiland van Suijtsande, dat op dezelfde manier ontstaan is, wordt eveneens bedijkt, de Zuidzandepolder.
1115 Vanwege schade door een stormvloed wordt het eiland Cassant opnieuw vermeld. Het indijken gebeurt
nu uit landaanwinst. De abdij Ter Duinen uit Koksijde begon er als eerste mee, gevolgd door O.L. Vrouwe van Broekburg, de St. Niklaasabdij uit Veurne, de St. Pietersabdij uit Oudenburg en de abdij uit Lissewege.
Men rekent op grote winsten uit de verbouw van graan, maar men houdt te weinig rekening met misoogsten.

Graaf Boudewijn VII erkende zich de tienden van Wulpen en Kadzand tussen 1111 en 1115 toegeëigend te
hebben, die tot de kerk van Rodenburg (Aardenburg) behoorden en door zijn voorgangers aan de St. Baafsabdij waren geschonken. Tot beter inzicht gekomen stond de graaf de tienden van Wulpen, Kadzand en Rodenburg weer volledig aan de abdij af, zowel die van het moerland als die van het nieuwe en het oude land.
1124 In 1124 en 1125 heerst er hongersnood in Europa. In Vlaanderen kochten vorst Lambrecht van Straten en
Her Bertolf, de proost van de abdij Sint Donas alle graan op tegen een lage prijs en verkochten dit tegen een hoge prijs aan de arme bevolking. Graaf Karel de Caluwe beval hen het graan tegen de gangbare prijs te verkopen.
1134 Het begon met een aardbeving op zee op 1 oktober. Door de vloeden van 2 en 4 oktober 1134 vormen zich
zeearmen in de zwaar aangetaste kust. Tussen Cassant en Knocke ontstaat een grote inham, het Zwin.
De Honte (Westerschelde) wordt aanzienlijk verwijd en wordt zelfs in 1183 een zee genoemd. Het water
dringt 25-30 km het land inwaarts. Het vasteland komt steeds sneller blank te staan, omdat men vanaf Ostburch
naar het zuiden het zouthoudende veen afgraaft voor zoutwinning en als brandstof gebruikt. De bodem komt
onder zeeniveau te liggen. Na de stormvloed van 1134 wordt grote spoed gemaakt met het aanleggen van
defensieve dijken.
1170 De eerste allerheiligenvloed. Wulpen en Schoneveld worden bijna geheel van de kaart geveegd. Het water
spoelt over de dijken van Damme tot aan de poorten van Brugge. Een groot aantal Vlaamse en Zeeuwse gezinnen trok het binnenland in en vestigde zich aan de rivier de Elbe.

Van ongeveer 1170 tot 1430 spreken we van het Middeleeuwse Klimaat Optimum (M.K.O.), dat daarna met
een reeks strenge winters overgaat in de Kleine IJstijd (Kl.IJ.).
1173 Mei 1173. Drie dagen achtereen rijzen noord-en zuidwester stormen het water hoog op tegen de Vlaamse kust.
Tot 1180 gaat geen jaar voorbij zonder watervloed. Saeftinge verdrinkt. De steden Damme, Brugge en Gent
krijgen het zwaar te verduren. In 1180 scheurt het district de Paerdemarkt los van het eiland van Cassant
en wordt een zandbank.
1177 De oudste schenking aan de St. Baafs abdij te Gent bestaat uit grafelijke lenen. In 1177 doen Ridder Walter van
Axel en Ridder Alard, zoon van Symon van Ostburch afstand van de opbrengst van hun grafelijk leengoed, dat verspreid lag“super (=aan de) Val(=natuurlijk water)(30) et  super(=aan de)  Grotenflit(flit=natuurlijk water)
(17 en 18) et in Kerckepolre (27) et Strinc (31) et Bertenhuc(..) et Sumpel (29?/Sompele) et super(=aan de) Dumbinsflit(..).
Na de schenking van de opbrengst van het land van beide leenmannen schenkt eigenaar graaf Philips van de Elzas
deze akkers “cum omni accrescenti terra” aan de abdij. Zie polderindeling
1189 Ook Leonius de Cazant schenkt zijn leen aan de St. Baafs abdij:  Sudpolre, super(=aan de) Dondelinsvliet, via(=weg/pad) super (=aan de) Grotvliet, Binorden Oudenwerve, super(=aan de) Wel(24), in Tarwedic(24), in Husmiet (24), alle gelegen ten oosten van de kapel. Voorts in Kerpolre Bosthalf in Sudpolre Bostenmerke. Zie polderindeling
1196 Het heeft onophoudelijk geregend van 24 juni tot 25 december. Het gevolg is voedselschaarste door de mislukte oogst. Er heerst algehele hongersnood. De wolven komen uit de bossen van het vaste land en vallen mensen aan.
1200 Uit de 13de eeuw stammen tiendenpalen. Ze geven de grens aan tussen de bezittingen van de abdijen van
St. Baafs en St. Pieter. Tienden zijn de delen van de oogst die de boer bij wijze van pacht aan de abdij moet
leveren.
De vermelding van de „polre qui dicitur Hofstede" in de goederenlijst der St-Baafsabdij toont aan, dat er in het
begin der 13e eeuw in het uiterste ZW van het eiland Cadesant een belangrijke hofstede bestond, misschien
ook reeds een kleine nederzetting.
1213 30 mei 1213. Damme, de enige Zwinstad, wordt geplunderd door de Fransen. Deze verliezen daarna de
zeeslag tegen de Engelse vloot in de Sincfal ('t Zwin) tussen Knocke en Cassant. 1.700 Franse schepen
werden door de Vlamingen en de Engelsen vernietigd.
1214 Een vloedgolf teistert het Zwingebied, in het bijzonder Brugge.
“Anno Domini MCC (1200) ende MCCXIV (1214) wordt Vlaendren al te seere gheplaecht met brande by
messchieve in veele steden ende dorpen ende ooc met sterften ende ooc met zeevloet, want die zee brack
inne te vele steden, ende schuerde die dycken, so dat omtrent Brugghe vier mylen varre, Oost, West, ende
Zuydt wast al een watre, so datter in diveersche plaetzen veele lieden ende beesten verdroncken.”
Pas rond 1220 zullen die gebieden weer worden teruggewonnen door de Cisterciënzers van Ter Doest.
1218 Strenge vorst met voortdurende sneeuwval van 11 nov tot 6 dec. Dit bemoeilijkt de visvangst. Na een pauze
gaat dit type weer door tot maart 1219. De wegen zijn hard en rivieren zijn bevroren.
1225 In de eerste helft van de 13e eeuw (in ieder geval vóór 1231) wordt, waarschijnlijk in opdracht van de abdij van St. Baafs te Gent, een kerk gebouwd van gele Vlaamse baksteen, de Onze Vrouwe kerk. Het gebouw bestaat uit één beuk, in Romaanse stijl(met kleine ramen). Lees verder...

In deze tijd bestaat er geen indeling in provincie en gemeente, maar in parochies.
De hiërarchie van de Kerk eist een soort boekhouding van de bezittingen in het land en het bijhouden van giften en belastingen. Hierdoor worden eindelijk een aantal zaken te boek gesteld. Zo komen er lijsten van dorpen en parochies, voor het eerst worden de Nederlandse namen genoteerd. Later krijgt de Kerk polders in bezit en moet hiervan de dijken onder-houden. Dijkdoorbraken worden eveneens genoteerd. De mensen van de Kerk zijn in de meeste streken de eersten die kunnen schrijven en zij schrijven en passant de geschiedenis.
1227 Door schenkingen en indijkingen in eigen beheer, beslaat het bezit van St. Baafs abdij volgens de goederenlijst
van ± 1227 reeds meer dan 200 gemeten.
1231 Tot 1231 werd de zielzorg op het eiland Cassant slechts door één geestelijke uitgeoefend. De parochianen van Cassant richten omstreeks deze tijd een verzoek tot de abt van St. Baafs, de patronus van hun kerk, om naast
de pastoor een kapelaan te benoemen. Als namelijk de pastoor tijdelijk het eiland moest verlaten, kwam het herhaaldelijk voor, dat hij wegens storm of woelig water geruime tijd ervan weerhouden werd, weer naar het
eiland over te steken. Als er in die tijd mensen geestelijke bijstand nodig hadden, kon men geen andere priester
te hulp roepen, daar de overtocht te gevaarlijk was. De abt van St. Baafs vond het evenwel niet nodig een tweede geestelijke op Cassant aan te stellen. Het eiland had immers altijd aan dit gevaar bloot gestaan. De vroegere
abten hadden één priester voldoende geacht en dus meende de abt, dat hij in dit opzicht niet meer verplichtingen had dan zijn voorgangers. Indien de parochianen meenden, dat een tweede geestelijke dringend nodig was,
konden zij wel een kapelaan geheel voor eigen rekening krijgen. Men wendde zich toen tot de bisschop en deze kwam aan het verlangen der eilandbewoners tegemoet. Hij besliste, dat er een kapelaan zou worden aangesteld, voor wiens onderhoud de St. Baafsabdij 8 lb. zou bijdragen, de parochianen van Cassant 5 lb. en de pastoor 2 lb.
De afspraak werd goedgekeurd door Wautier de Marvis, bisschop van het bisdom Doornik.
1242 Een stormvloed houdt lelijk huis in het Zwin en verzwelgt het eiland Coesant.
In 1244 zal Coesant worden ingedijkt.
1248 In de winter 1248-1249 is er sprake van 3 ernstige stormvloeden.
-20 november 1248 (1 nov.?). Vlaanderen, Zeeland en Holland. Dijken breken door, veel doden
-28 december 1248. Wester storm met onweer, gevolgd door een noordwester storm op 12 februari.
Deze stormvloeden veroorzaken veel schade, vooral omdat deze stormvloeden zo snel op elkaar volgen.
Melis Stoke, de kroniekschrijver van Floris V, noemt deze stormen "ene sware plaghe ".
1250 Juni. Een doorlopende vloed zonder eb. De zee brulde en het water bracht tot ver in het binnenland van
Vlaanderen schade toe aan dijken en gebouwen.
1252 In 1252 wordt een nieuwe ‘tolrolle’ of tolreglement op het Zwin uitgevaardigd door Margareta van
Constantinopel voor de vijf vissersplaatsen Knokke, Reygaartsvliet, Niewersluis, Cadzand en Coxyde. De
visvangst in 't Zwin is niet meer rendabel, vanwege deze tol die aan Lammingsvliet/Sluis betaald moet worden.
1257 Na een storm in 1254, die ook Vlaanderen teisterde, volgde in januari 1257 de St. Geronsstorm.
1268 6 januari 1268 enkele dagen lang een zware zuidwester storm. De wind draait daarna plotseling naar het noordwesten. Het Schelde estuarium loopt veel schade op, o.a. het eiland Coezand.
1269 Goed drinkwater is kostbaar. Om aan het benodigde vocht te komen, dronken de rijken wijn en de
minderbedeelden bier. Voor de stad  Damme werd drinkwater met een ondergronse leiding van 10 km lang
  vanuit een vijver in Male aangevoerd. Men gebruikte koperen kranen en loden leidingen om de watertoevoer
naar de waterputten te regelen. Op Caesant wordt regenwater als drinkwater gebruikt. Het grondwater is zilt en
daardoor ongeschikt voor consumptie.
1274 Deze kaart is geconstrueerd op basis van lijsten van plaatsen, die in 1274 vermeld stonden (omdat ze belasting afdroegen bijvoorbeeld) en waarvan de locatie op kaarten uit de 17de eeuw, voorzover bekend, werd ingetekend. De kaart biedt daarmee een overzicht van de mogelijke geografische situatie rond het jaar 1274, toen Gwijde van Dampierre graaf van Vlaanderen was. Zie kaarten
1275/1280

De eilandpositie van Kadzand en Wulpen deed de behoefte gevoelen aan een geregelde veerdienst. De
Doornikse kanunnik Arnulf van Maldegem schonk in zijn testament in 1275 een bedrag „ad vecturam vel
passagium de Caedzant" en eveneens „ad passagium de Ostende Vulpen".

In 1280 neemt graaf Guy van Dampierre het „St-Marie Vere" tussen Cadzand en Wulpen onder zijn bescherming,
dat gratis overtocht verleende. Dit veer was genoemd naar de patrones van de kerk van Cassant. De graaf stelde
40 gemeten land op het eiland Cassant vrij van alle belasting en feodale verplichtingen voor het onderhoud van
deze veerdienst.

1288 Op 5 febr. overstroomde, volgens Melis Stoke, Vlaanderen en Zeeland, behalve Walcheren en Wolphaartsdijk.
1295 Er ontstaat een conflict tussen Graaf Gwijde van Dampierre en Floris V van Holland, die elkaar de heerschappij
over Zeeland betwisten.  Floris V verzekert zich van de steun van Engeland, terwijl Gwijde van Dampierre
hulp krijgt van Zeeuwse edelen die in opstand komen tegen Floris V.  De Hollanders Van Brederode en Jan van Renesse landden op Catsant. Van daaruit rukte Van Renesse op naar Sluis,verwoeste de stad en maakte 3000 slachtoffers.  De Friezen, die van de roof leefden en de Hollanders overal volgden, kregen toestemming om op Catsant te landen. Zij versloegen 1400 Vlaamse soldaten, brandschatten het eiland en keerden met rijke buit terug.
1300 In de 14e eeuw leeft 1/3 van de stedelijke bevolking in armoede. 1/3 van de kinderen sterft vóór het 6e jaar. Mannen worden hooguit 50 jaar, vrouwen 45 jaar. Lengte 1.68m, resp. 1.58m. Anno 2008 is dat 1.81m, resp. 1.68m.

De meeste kledij wordt gemaakt van wol (laken) en linnen. Dit zijn de meest voorkomende stoffen. De wollen grondstof werd voornamelijk ingevoerd vanuit Engeland. Het spinnen, weven, vollen (=vervilten, de weefdraad "verbergen") en verven gebeurt in Vlaanderen. Linnen is de andere veel gebruikte stof. Dit weefsel van vlas is veel lichter en wordt in zijn lichtste versie veel gebruikt als voering voor de wollen kledij en voor ondergoed. De zwaardere soorten worden gebruikt als kledijstof voor lichte zomerkledij.  Stoffen als zijde en fluweel zijn uiterst duur en worden enkel gebruikt aan de hoogste hoven door de rijkste mensen.
1300 DANTE ALIGHIERI (1265-1321) schreef het verhaal DIVINA COMMEDIA. Hierin wordt gesproken over Guizzante, een plaats in de buurt van Brugge in het graafschap Vlaanderen. Historici proberen aan te duiden waar Guizzante ligt. Genoemd worden o.a. Wissant in Frankrijk en Catsant in het graafschap Vlaanderen. Lees verder...
1302 Kroniekschrijver Melis Stoke noemt de buurtschap Terhofstede “eene plaats, welke voor de kennis dezer
stroomen, op dien tijd, zeer belangrijk is”.
1303 Op 28 maart organiseren de Zeeuwen, onder leiding van Jonker Willem 's-Gravenzoon, een strooptocht naar Walcheren. De zoon van de graaf van Henegouwen-Holland,  Willem van Avesnes, onderneemt uit wraak
voor deze aanval een plundertocht vanuit Arnemuiden naar het eiland van Caesant/Cassant. Hij landt met zijn troepen bij Terhofstede, maar stuit al snel op verzet. Brugge had een bataljon van 45 kruisboogschutters en 22 helpers naar Sluis gestuurd om Cassant te verdedigen. Na  plunderingen en verkrachtingen scheept hij zich
dezelfde dag weer in en vertrekt weer naar Walcheren.
1304 Zonder tegenstand van betekenis overvallen de Vlamingen met hun Zeeuwse bondgenoten in een paar weken
tijds geheel Holland en Utrecht. De Brugse stads-rekening van 1304 vermeldt bijvoorbeeld transporten van de schippersgilden van Damme, Cassant, Aardenburg, Mude, Hoeke en Biervliet. De schepen vervoeren een groot
aantal ambachtslieden om deel te nemen aan het beleg.

Al eeuwen is het gebruikelijk dat ridders voor hun ridderdiensten, in plaats van geldelijke betaling, landerijen
van de Graaf van Vlaanderen krijgen. Deze landerijen worden weer verpacht aan Hereboeren die op hun beurt
weer een gedeelte van de opbrengst van het land aan de Leenheren afstaan. Ook verplichten de Hereboeren
zichzelf, de ambachslieden die op de landerijen woonden en de pachtboeren - dit waren de mensen die het
land bewerkten - te leveren voor de strijd in dienst van de Leenheer.

In de stadsrekening van Brugge komt een zekere Janne van Caetsant voor, die (vermoedelijk in het najaar van
1302) de stad maar liefst 276 pond uitkeerde, als afkoop voor de deelname aan een expeditie door Cassantenaars.
1304 Het volk ging onder de zware lasten tengevolge van overstromingen gebukt en had meermalen geen moed
om de strijd tegen de machtige vijand voort te zetten, zoals blijkt uit het verhaal van geschiedschrijver
Reygersbergh over de St. Katherynenvloed van 1304:
„Op Sinte Katherinen dach wast also groten stroom ende onweder met so groten hooghen vloet, dat veel
dijeken ende polders in Zeelant overvloeyden. Walcheren was so seer overvloeyt, dat die dyeken so seer gheramponeert waren, dat die lantlieden den moet verloren gaven, so dat si de macht niet en hadden te
dijeken waerom die grave selve int lant van Walcheren quam ende heeftet met die Borsselsce heeren weder beverscht ende bedijet. Noortbevelant was doen mede tot diversche plaetsen in, aende noortside, nochtans
wertet cortelinge daer na beverscht ende bedijet, maer daer werdt so veel lants buiten gedijet, dattet scherp
vij mijlen int ronde groot bleef waer uut namaels een spreecwoort quam datmen seyde, Het is so scherp als
God noortbevelant maecte".
1306 De strengste winter van de afgelopen 3 eeuwen.
1316 Door 10 maanden onophoudelijke regen mislukt de graanoogst.  Er breekt twee jaar lang een periode aan van
pest, honger en dood. De prijzen stijgen tot ongekende hoogte. De gewassen liggen te rotten op het land.
In de steden sterft tweederde van de bevolking, meer dan 50 inwoners per dag. Een komeet, die tijdens de Paasdagen gezien is, was volgens hen de voorbode.
1334 23 november 1334. De St. Clemensvloed. Vlaanderen lijdt veel schade. Het eiland Wulpen overstroomt.
Ook Walcheren lijdt ernstige schade. Ook veel schade in het land van Saeftinge.
1337 Het begin van de 100-jarige oorlog.
Geruchten lopen dat de Engelse koning een leger in gereedheid brengt om het naar Brabant over te varen. Met het oog op een noordelijke aanval op Frankrijk, stuurt Philippe van Valois in samenwerking met Louis van Nevers een oorlogsvloot naar de monding van de Schelde om te verhinderen dat Edward met zijn troepen in Antwerpen aan land gaat. Volgens tijdgenoten zou dit gewapend treffen uitgroeien tot het grootste wapenfeit van de 14de eeuw. Louis van Nevers installeert 5000 wapenlieden op het eiland van Cassant onder het bevel van zijn bastaardbroer Guy en enkele vooraanstaande Vlaamse Leliaards. Daar wordt de Engelse vloot opgewacht die uit Gravesand is vertrokken. Onder een wolk van pijlen, het gevreesde Engelse wapen dat in de Honderdjarige Oorlog meer dan eens zijn deugdelijkheid zal bewijzen, weten de Engelsen op Cassant te landen en het Franse leger in de pan te hakken, waarna het eiland wordt geplunderd. De Fransen tellen 3000 slachtoffers.
Het plunderen was de vergoeding aan de pachters, boeren en buitenlui om hen te motiveren goed te strijden zodat ze er na een overwinning een lekker extraatje aan overhielden.

In de jaren daarna hebben de Vlaamse kustbewoners en vissers erg te lijden van Engelse en Zeeuwse kapers.
1338 In de lente van 1338 landen de Engelsen op het eiland van Cassant met als enige doel plunderen.
1340 24 juni 1340. De zeeslag in 't Zwin. Franse troepen plunderen het eiland van Cassant.

Tijdens graafwerkzaamheden in 2010 in de Dierkinspolder is een zwaard gevonden. Het is gedateerd 1325-1350.
Het kan achtergelaten zijn tijdens één van bovengenoemde plunderingen van Cassant in 1337, 1338 of 1340.
1345 Koning Eduard III van Engeland komt op 8 augustus met 80 schepen in 't Zwin aan, teneinde Vlaanderen te onderwerpen. Dit mislukt. In januari en maart 1346 probeert hij dat nogmaals, weer zonder resultaat.
1347 De schriftelijke bronnen zijn in de 14e eeuw uitermate karig met mededelingen over Cassant, Zuidzande en
Coezand. Coezand wordt in 1347 genoemd in verband met enige renten, die voor de St. Jacobkapel in
Ter Hofstede werden geschonken; één van deze renten kwam van ± 4 gemeten „up Coezand in 't oude land".
1348 Koning Eduard III van Engeland zal als schadevergoeding op of nabij het eiland van Cassant een kerk en een
klooster stichten voor 13 monniken van de orde der Kartuizers. De orde zet zelf vraagtekens (1346-1385?) bij de oprichting van dit klooster.
De koning zou ook een hospitaal oprichten voor een abdes en 7 nonnen. Dit vond geen doorgang. Er is wel in
1348 in Brugge het Kartuizerinnenklooster Sint-Anna-ter Woestijne opgericht.
Misschien is er wel een verband tussen dit verdrag en de uitbreiding van de Mariakerk met de Noordbeuk.

1348-1349. De pest, de zwarte dood, breekt uit in Europa. Ook Sluys ontkomt niet aan deze epidemie, die
huishoudt tot 1352. 1/3 van de bevolking bezwijkt.
1350 In de 14e eeuw wordt aan de noordzijde van de Onze Vrouwe kerk een deel aangebouwd, de noordbeuk. Deze is in Gotische stijl (met grote ramen). De mogelijkheid bestaat, dat dit is bekostigd door koning Edward III van Engeland, die zich in een verdrag uit 1348 tot de bouw van een kerk op Cassant verplichtte.
1351 In maart waaien veel bomen, molens en torens om. Schepen op zee vergaan. Er volgt een droge en hete zomer.
De gewassen op het land verdorren. Voedselschaarste heerst alom.
1375 8-10 okt. Heel Nederland wordt getroffen door een zware orkaan. Tussen Cassant en de Zwinmonding ontstaat
een nieuwe vaargeul, het Sluysse Gat. Cassant overstroomt. De nederzetting in de polder Roffoelkin op het
eiland verdwijnt.
1377 Springvloed. In november doet een grote storm de kuststreek overstromen. De polders op Casant, die bij deze springvloed onder water liepen waren nog niet drooggelegd sinds de overstroming van 1375.
De eilanden Koezand en Schoneveld staan onder water. Het land van de Vier Ambachten overstroomt. De sluizen in Biervliet begeven het en 17 dorpen verdwijnen in de golven.
“Dit ongeluk wierde geweeten den Dijk-graaven, die wel vlijtig genoeg waren in 't dijkgeld te innen; maar de ontfangene penningen tot eygen gebruyk verbeezigde, verwaarloosden de dykken te breydelen teegens 't zeegeweld.”
klik voor vergroting
1384 Half mei landen de Engelsen met een vloot van bijna 100 schepen op Cassant om Gent, dat belegerd wordt door
Brugge, Sluis en Aardenburg, te ontzetten. Zij brandschatten en vermoorden een aantal bewoners van Cassant.
1391 Een grote springvloed veroorzaakt overstromingen langs de kust, in Oostende en op het eiland van Cassant.
1394 Op 21 januari een zware storm en op 22 januari een stormvloed. Overstromingen langs de kust, in Oostende en op het eiland van Cassant. Ten westen van de Onze Vrouwe kerk staat 3 gemeten land onder water en ten oosten 6 gemeten.
NO op het eiland Cassant, bij Stockelins-cruce, worden herstelwerkzaamheden aan de zeedijk uitgevoerd.
Polders die in 1375 en bij de springvloed van 1377 onder water liepen zijn nog niet drooggelegd. Als gevolg van deze en voorgaande overstromingen staat het gehele oostelijke deel van Cassant onder water.
Een van de overblijfselen van deze ramp is de Zwartegatse Kreek ten noorden van Groede. De eilanden Coesant en Wulpen met vier parochies gaan grotendeels verloren.
Oude zeeweringen moeten worden hersteld en versterkt. Verarming van de streek en oorlogsperikelen verhinderen echter een krachtdadige aanpak.
klik voor vergroting
1398 Het eiland Cassant wordt nogmaals zeer zwaar getroffen door onweer en orkanen. Tot tweemaal toe werd de Noorddijk beschadigd, hetgeen aanleiding was voor het heffen van een extra geschot “van den Noortdike
weder te makene te twee stonden, dat hi bi groten stoerme te broken was”.
Sedert 1398 bespeurt men rond Cassant een levendige bedijkings-activiteit. NO van het dorp Cassant bij
Stockelins-cruce werden eveneens herstelwerkzaamheden aan de zeedijk uitgevoerd. N van Ter Hofstede
bedijkt Willem Blonden een kleine polder, die men eenvoudig 'het poldertje achter Ter Hofstede' noemt,
later Insetepolder genaamd. Het N deel van de Insetepolder verdween later onder de wallen van het fort Retranchement.
1399 Na de overstrominen van 1375, 1377 en 1394 wordt de Vierhonderdpolder Bezuiden De Kerk herdijkt door
Ridder Jan van der Capelle voor de St. Baafs abdij te Gent.